Conclusie
1.Feitenen procesverloop
De voorgenomen versterking van de waterkering
binnenzijdemet o.a. een brede steunberm. In de planfase vindt het doorrekenen van de varianten en de belangenafweging + besluitvorming plaats. Eerst dan kunnen wij harde uitspraken doen over het toekomstige dwarsprofiel ter plaatse. Ons uitgangspunt betekent dat de buitenteen van de nieuwe steunberm komt te liggen op maximaal acht meter vanuit de grens van het waterstaatswerk zoals opgenomen in de legger, waarmee de buitencontour loopt over de dijkzijde van het eiland.
mogelijk(onderstreping van het hof) niet binnen de contour van 8 meter zou kunnen worden versterkt. Niet gesteld of gebleken is dat het hoogheemraadschap daarna in enig contact met Kinselmeer (in het bijzonder tijdens het overleg van partijen op 28 maart 2011, 19 mei 2011 en/of 29 juni 2011) heeft laten weten dat die mogelijkheid inmiddels zekerheid was geworden. Integendeel, uit de eerste twee alinea’s van de onder 3.1 (i) geciteerde brief van [betrokkene 1] aan het hoogheemraadschap van 1 juli 2011 blijkt genoegzaam dat Kinselmeer ervan op de hoogte was dat een en ander (nog steeds) onzeker was.
Het hoogheemraadschap heeft nog geen keuze kunnen en willen maken en legt de laatste hand aan het formuleren van zijn standpunt. Indien en voor zover technische terugvalopties bij een eventuele binnenwaartse versterking niet kansrijk of haalbaar zijn, bieden de door u geschetste scenario’s II en III een goed vertrekpunt voor de komende onderhandelingen”niet anders lezen dan als een door het hoogheemraadschap met betrekking tot zijn bereidheid tot het schadeloosstellen van Kinselmeer gemaakt voorbehoud: het hoogheemraadschap is alleen dan bereid Kinselmeer schadeloos te stellen, als voor de dijkversterking - kort gezegd - meer grond benodigd zou blijken dan de (in 2009 van Kinselmeer gekochte) strook van acht meter. Dat het hoogheemraadschap zich bereid verklaart (vast) met Kinselmeer over (de omvang van) een schadeloosstelling te onderhandelen en daartoe [betrokkene 2] als contactpersoon aanwijst, doet daaraan niet af, te minder omdat de brief vermeldt dat [betrokkene 2] geen mandaat had het hoogheemraadschap rechtens te binden. Ook de enkele aankondiging in de brief dat het hoogheemraadschap Ten Have opnieuw (hof: evenals in 2009) als deskundige zal aanzoeken om voor hem op te treden in het kader van een vast te stellen schadeloosstelling, werpt geen ander licht op de zaak. Het gemaakte voorbehoud blijft daarmee immers overeind.
niet bevoegd was het Hoogheemraadschap rechtens te binden, omdat dat ook in 2009 zo was.” (zie pagina 2, zevende streepje).
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
“Inleiding tot de klachten”, drie onderdelen (1-3), welke onderdelen in verschillende subonderdelen (1.1.-1.5, 2.1-2.7 en 3.1-3.4) zijn onderverdeeld.
“de das omdeed”.
“geen mandaat had het hoogheemraadschap rechtens te binden”, omdat een dergelijke beperking in de bevoegdheid van [betrokkene 2] niet eraan afdoet dat Kinselmeer in goed vertrouwen mocht afgaan op de mededelingen en andere feitelijke gedragingen van [betrokkene 2]. In verband met het postvatten van rechtens relevant vertrouwen bij Kinselmeer komen de uitlatingen en gedragingen van [betrokkene 2], gedaan in zijn hoedanigheid als contactpersoon en gesprekspartner vanuit het Hoogheemraadschap in de onderhavige kwestie met Kinselmeer, in het maatschappelijk verkeer voor rekening van het Hoogheemraadschap, ongeacht de formele reikwijdte van de (vertegenwoordigings-)bevoegdheid van [betrokkene 2], aldus het subonderdeel.
“blijft daarmee immers overeind”, aldus het hof). Volgens het subonderdeel is die bereidheid tot schadeloosstelling van Kinselmeer immers de “prijs” van het voorbehoud waarmee het Hoogheemraadschap heeft beoogd de (definitieve) keuze voor de wijze van dijkversterking, inclusief mogelijke alternatieven met directe en materiële gevolgen voor het ecopark, in de zomer van 2011 voor niet nader bepaalde tijd open te houden.
“voor de dijkversterking - kort gezegd - meer grond benodigd zou blijken dan de (in 2009 van Kinselmeer gekochte) strook van 8 meter”, kennelijk uitlegt alsof het Hoogheemraadschap zich aldus (zonder meer) erop heeft vastgelegd om uitsluitend een wijze van dijkversterking uit te voeren die de acht meter contour (alsnog) zal respecteren en dat die uitleg onbegrijpelijk is omdat uit andere zinssneden uit de brief volgt dat het Hoogheemraadschap zich zijn (definitieve) keuze heeft voorbehouden. Volgens het subonderdeel bepaalt de (definitieve) keuze van het Hoogheemraadschap voor een bepaalde wijze van dijkversterking uiteindelijk of er in geval van binnendijkse versterking meer grond
“benodigd zou blijken”dan de strook van acht meter, en niet het enkele bestaan van (hypothetisch gebleven) alternatieven waarvan bovendien geenszins bij voorbaat vaststaat dat deze wat het Hoogheemraadschap betreft de kwalificatie van “kansrijk of haalbaar” zouden doorstaan en daadwerkelijk zouden (kunnen) worden uitgevoerd.
“het hoogheemraadschap is alleen dan bereid Kinselmeer schadeloos te stellen als voor de dijkversterking - kort gezegd - meer grond benodigd zou blijken dan de (in 2009 van Kinselmeer gekochte) strook van acht meter”. Toen op of omstreeks 4 augustus 2011 - naar aanleiding van het rapport van DHV [3] (zie hiervóór onder 1.17) - duidelijk werd dat niet was voldaan aan de in de brief van 15 juli 2011 gestelde voorwaarde voor het betalen van een schadeloosstelling aan Kinselmeer, kon het Hoogheemraadschap zich volgens het hof uit de onderhandelingen terugtrekken (rov. 3.3.6).
zekerheidover de versterking door het Hoogheemraadschap binnendijks en buiten de contour van acht meter ten grondslag heeft gelegd, maar de
onzekerheiddie het Hoogheemraadschap heeft laten bestaan over de mogelijkheid dat het (definitief) zou kiezen voor versterking binnendijks en buiten de acht meter contour, doet - wat daarvan verder ook zij - niet af aan het oordeel van het hof dat, waar het Hoogheemraadschap duidelijk had gemaakt slechts tot (overleg over) een schadeloosstelling bereid zou zijn als voor de dijkversterking - kort gezegd - méér grond benodigd zou blijken dan de eerder gekochte strook grond van acht meter, het Hoogheemraadschap de vrijheid had de onderhandelingen over een schadeloosstelling af te breken, toen bleek dat de bedoelde voorwaarde niet werd vervuld. Dat gedurende enige tijd onzekerheid heeft bestaan over de vraag of al dan niet voor versterking binnendijks en binnen de contour van acht meter zou (kunnen) worden gekozen, ontnam de volgens het hof door het Hoogheemraadschap gemaakte voorbehoud niet zijn betekenis en bracht, anders dan het subonderdeel lijkt te veronderstellen, niet met zich dat Kinselmeer, ondanks het door het Hoogheemraadschap gemaakte voorbehoud, gerechtvaardigd op (de totstandkoming van een overeenkomst over) een haar toekomende schadeloosstelling mocht vertrouwen of dat het afbreken van het overleg daarover toen bleek dat de door het Hoogheemraadschap gestelde voorwaarde niet werd vervuld, jegens Kinselmeer onrechtmatig is. Dat de door het subonderdeel bedoelde onzekerheid het door het Hoogheemraadschap gemaakte voorbehoud niet zijn betekenis heeft ontnomen, geldt temeer nu reeds binnen een maand nadat dat voorbehoud in de brief van 15 juli 2011 was gemaakt, duidelijk werd dat een binnenwaartse dijkversterking binnen de markeringslijn van acht meter mogelijk was (zie hiervóór onder 1.16).
“voor de dijkversterking - kort gezegd - meer grond benodigd zou blijken dan de (in 2009 van Kinselmeer gekochte) strook van acht meter”(rov. 3.3.5). Deze uitleg van de brief van 15 juli 2011, welke uitleg is voorbehouden aan de feitenrechter, acht ik niet onbegrijpelijk (zie ook hiervóór onder 2.4).
te wetendat “
[betrokkene 2] niet bevoegd was het Hoogheemraadschap rechtens te binden, omdat dat ook in 2009 zo was”.
“kort gezegd, het ecopark niet doorgaat”, instemming met het doen van die mededelingen geenszins impliceert dat, in afwijking van de brief van 15 juli 2011, ook werd ingestemd met een ter zake aan Kinselmeer toekomende schadeloosstelling,
zonderdat zou zijn gebleken dat de dijkversterking niet binnen de eerder gekochte strook grond van acht meter zou kunnen worden gerealiseerd.
“prijs”van het voorbehoud zou betreffen waarmee het Hoogheemraadschap de keuze voor de wijze van dijkversterking wilde openhouden. Volgens de uitleg die het hof aan de brief van 15 juli 2011 heeft gegeven, betrof dat voorbehoud niet het feit dat het Hoogheemraadschap zich vooralsnog vrijheid van keuze voor de wijze van dijkversterking voorbehield, maar het feit dat het Hoogheemraadschap slechts tot schadeloosstelling van Kinselmeer bereid was in het geval dat zou blijken dat de dijkversterking niet binnen de reeds gekochte strook grond van acht meter kon worden gerealiseerd. Ook de klacht van subonderdeel 1.4 faalt derhalve.
“het hoogheemraadschap is alleen dan bereid Kinselmeer schadeloos te stellen,alsvoor de dijkversterking - kort gezegd - meer grond benodigd zou blijken dan de (in 2009 van Kinselmeer gekochte) strook van acht meter”(onderstreping toegevoegd; LK).
subonderdeel 2.5treffen de klachten van subonderdeel 2.2-2.4 ook het oordeel van het hof in rov. 3.3.7. Aan de brief van het Hoogheemraadschap aan de financierende bank kon Kinselmeer wel degelijk het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat het Hoogheemraadschap ermee instemde dat het ecopark niet doorging en Kinselmeer volgens de methodiek van 2009 zou worden schadeloos gesteld, aldus het subonderdeel.
niet bevoegd was het Hoogheemraadschap rechtens te binden, omdat dat ook in 2009 zo was” (zie ook hiervoor onder 2.7).
“voor de dijkversterking - kort gezegd - meer grond benodigd zou blijken dan de (in 2009 van Kinselmeer gekochte) strook van acht meter”(rov. 3.3.5; zie hiervóór onder 2.6).
temeernu die brief niet zonder meer mag worden bezien in het perspectief van de eerdere e-mails van [betrokkene 2] van 20 en 21 juli 2011, ten aanzien van welke e-mails (naar het hof in cassatie onbestreden heeft vastgesteld) niet is gesteld of gebleken (dat Kinselmeer ervan op de hoogte was) dat (het college van dijkgraaf en hoogheemraden van) het Hoogheemraadschap daarmee bekend was (rov. 3.3.7, laatste zin).
“een”schadeloosstelling die plaatsvonden vóórdat [betrokkene 2] Kinselmeer in kennis stelde van zijn
“persoonlijke mening”dat uit het van DHV ontvangen advies bleek dat ook een binnenwaartse dijkversterking binnen de reeds door het Hoogheemraadschap verworven strook grond van acht meter kon worden gerealiseerd en ruim voordat het Hoogheemraadschap in zijn brief van 25 augustus 2011 dezelfde conclusie trok, impliceren allerminst dat het Hoogheemraadschap niet langer vasthield aan het voorbehoud dat van een schadeloosstelling slechts sprake zou kunnen zijn als zou blijken dat de dijkversterking niet binnen de reeds verworven strook grond van acht meter zou kunnen worden gerealiseerd. Subonderdeel 2.7 is tevergeefs voorgesteld, óók voor zover het betoogt dat (totstandkomings)vertrouwen kan worden ontleend aan de in de brief van 15 juli 2011 aangekondigde benoeming van dezelfde deskundige aan de zijde van het Hoogheemraadschap als in 2009. Het gemaakte voorbehoud behoefde het Hoogheemraadschap immers niet te beletten de benoeming van een deskundige ter voorbereiding van onderhandelingen over een schadeloosstelling volgens de methodiek van 2009 aan te kondigen (of die onderhandelingen anderszins voor te bereiden of zelfs al aan te vangen), zolang het Hoogheemraadschap nog niet had geconcludeerd dat dijkversterking binnen de reeds verworven strook grond van acht meter kansrijk en haalbaar was [15] .
eigenverantwoordelijkheid van Kinselmeer voor haar beslissing om het project niet voort te zetten, ondanks het feit dat nog niet zeker was of de noodzakelijke dijkversterking al dan niet aan de realisatie van het ecopark in de weg zou staan en ondanks het feit dat het Hoogheemraadschap enkele dagen voordat Kinselmeer haar beslissing nam, snel onderzoek en handelen ter zake had toegezegd (zie de brief van 15 juli 2011).
daarinzou zijn tekortgeschoten; reeds in augustus 2011 kon aan Kinselmeer worden gemeld dat óók een noodgedwongen inwaartse dijkversterking binnen de reeds verworven strook grond van acht meter zou kunnen worden gerealiseerd. Dat ook toen niet voor een bepaalde wijze van dijkversterking is gekozen (eerst in februari 2013 is uiteindelijk voor een buitendijkse versterking gekozen), is niet beslissend. Beslissend is wel dat het Hoogheemraadschap blijkens de brief van 25 augustus 2011 uit de resultaten van het eerder toegezegde onderzoek de conclusie trok dat de in 2009 overeengekomen contour in stand kon blijven (
“Het hoogheemraadschap heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeksverplichting door te laten onderzoeken of de in 2009 overeengekomen contour in stand kan blijven. Nu dit onderzoek een bevestigende conclusie heeft gebracht (…)”). Weliswaar was er ook in augustus 2011 nog geen zekerheid over de uiteindelijk te kiezen wijze van dijkversterking, maar er was, gelet op de resultaten van het onderzoek en de conclusie die het Hoogheemraadschap daaraan verbond, wel de zekerheid dat, óók als uiteindelijk zou worden gekozen voor een andere wijze van dijkversterking dan de aanvaardbaar geachte
“terugvaloptie bij een eventuele binnenwaartse versterking”(zie voor die term de brief van 15 juli 2011), de in 2009 overeengekomen contour in stand kon blijven.
“afgezien van het toelaatbaar geachte afbreken van de onderhandelingen”onrechtmatig jegens Kinselmeer heeft gehandeld.
“zijn handen van de zaak af te trekken”, zulks terwijl Kinselmeer in redelijkheid mocht aannemen dat [betrokkene 2] instemde met het informeren door Kinselmeer van de bij het project betrokken partijen dat het ecopark niet doorging, vond hiervóór (onder 2.19) reeds weerlegging.
“(nog altijd) niet méér duidelijk (maakt) dan dat “niet zeker” is dat HHNK zal voldoen aan de contour van 2009”, vindt geen steun in die brief, waarin het Hoogheemraadschap schrijft te hebben laten onderzoeken
“of de in 2009 overeengekomen contour in stand kan blijven”en dat het uitgevoerde onderzoek
“een bevestigende conclusie heeft gebracht”.
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijke incidentele beroep
“strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf”dient te worden aangelegd. Volgens het onderdeel heeft Kinselmeer deze grief ook zo begrepen [19] .
toepassing van die maatstaf door de rechtbank (in die zin dat deze toepassing onvoldoende streng en terughoudend was) [20] . De door het hof aan de stellingen van het Hoogheemraadschap gegeven uitleg is feitelijk en mijns inziens niet onbegrijpelijk [21] .
zou informerendat, kort gezegd, het ecopark niet doorging.
“kort gezegd, het ecopark niet doorging”niet, althans niet zonder meer, uit
“de onder 3.1 (k) tot en met (n) weergegeven mailwisseling van 20 en 21 juli 2011”kan worden getrokken. In die e-mailwisseling (zie hiervóór onder 1.11-1.14) wordt niet gesproken van het “niet doorgaan” van het ecopark. In zijn e-mail van 20 juli 2011 spreekt [betrokkene 1] van
“schadebeperkende maatregelen in de zin van de ontbinding van contracten”. In de e-mail van [betrokkene 1] van 21 juli 2011 wordt gesproken van het door Molenschouw
“in onderhandeling (gaan) met de kopers, aannemers en de bank, teneinde te pogen tegen de laagst mogelijke kosten van haar verplichtingen jegens deze partijen te worden bevrijd”. Tevens wordt aangekondigd dat een en ander in nauw overleg met het Hoogheemraadschap zal plaatsvinden, hetgeen (althans volgens het Hoogheemraadschap) niet is gebeurd. Dat de in de gewisselde e-mails bedoelde informatie die Kinselmeer voornemens was aan betrokkenen te verstrekken en waarmee [betrokkene 2] blijkens de door hem gezonden e-mails heeft ingestemd, erop zou neerkomen dat van realisatie van het ecopark zou worden afgezien, valt niet met voldoende zekerheid uit de gewisselde e-mails af te leiden. Voor zover het onderdeel mede daarop gerichte klachten omvat, acht ik het gegrond.