ECLI:NL:PHR:2016:45

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 januari 2016
Publicatiedatum
17 februari 2016
Zaaknummer
15/00951
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22b SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling poging doodslag op baby door schudden met voorwaardelijk opzet

Het gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, wegens poging tot doodslag op zijn vijf weken oude kind door het kind hevig heen en weer te schudden. De verdachte gaf aan in paniek te zijn geweest en zonder opzet te hebben gehandeld, maar het hof achtte dit niet aannemelijk vanwege wisselende verklaringen en gebrek aan openheid.

De verdachte stelde in cassatie dat het bewezenverklaarde feit niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid en dat het hof een tegenstrijdige motivering gaf omtrent zijn paniek. De Hoge Raad oordeelde dat ondanks een kennelijke misslag in de bewijsmotivering het oordeel van het hof standhoudt en de bewezenverklaring toereikend is.

Daarnaast werd geklaagd over de strafmotivering en de toepassing van het verbod op taakstraffen bij poging doodslag. De Hoge Raad verwierp deze klachten en oordeelde dat de strafmaat passend is en dat de gevolgen voor de familie van verdachte meewegen in de strafoplegging.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof, waarbij de strafrechtelijke veroordeling en de motivering als voldoende en rechtmatig werden beoordeeld.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot 24 maanden gevangenisstraf wegens poging tot doodslag op zijn baby door schudden met voorwaardelijk opzet.

Conclusie

Nr. 15/00951
Zitting: 19 januari 2016
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake: [verdachte]
1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 18 december 2014 ter zake van ‘poging doodslag’ veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven.
2. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft namens de verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelklaagt dat het bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
4. Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezen verklaard dat:
“Hij op 1 april 2013 in Nederland ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk (zijn 5 weken oud kind) [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 2013, van het leven te beroven, met dat opzet [betrokkene] stevig bij het lichaam heeft vastgepakt en meermalen [betrokkene] hevig heeft heen en weer geschud, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
5. Het hof heeft in zijn arrest het vonnis waarvan beroep bevestigd met dien verstande dat het hof de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen heeft aangevuld met de volgende verklaring, die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd:
“Ik maakte een op en neergaande schudbeweging om te kijken of er een reactie kwam van [betrokkene] (het hof begrijpt: [betrokkene]). Ik was in paniek en het kan best zo zijn geweest dat ik daardoor harder heb geschud maar niet met de intentie om hem iets aan te doen.”
6. Onder de kop “Voorwaardelijk opzet” heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij [betrokkene] uit paniek zou hebben geschud omdat deze reeds onwel was geworden, acht de rechtbank deze gang van zaken niet aannemelijk geworden. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte hierover wisselende verklaringen heeft afgelegd en geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Bovendien geven de door verdachte geschetste omstandigheden er ook geen blijk van dat hij in paniek zou hebben gehandeld. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris immers verklaard dat hij zag dat [betrokkene] bewusteloos was, waarna hij hem (in paniek) zou hebben wakker geschud. Daarna zou verdachte [betrokkene] weer terug hebben gezet in zijn badje, omdat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat het wel mee zou vallen. Deze laatste veronderstelling verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met verdachtes verklaring dat hij – kort daarvoor – behoorlijk in paniek is geweest.”
7. Het eerste middel klaagt dat het voorwaardelijk opzet innerlijk tegenstrijdig is gemotiveerd doordat het hof, het vonnis van de rechtbank bevestigende, ter aanvulling van het bewijs gebruik heeft gemaakt van voornoemde verklaring van de verdachte.
8. De steller van het middel zij toegegeven dat ’s hofs aanvulling van de bewijsvoering met de verklaring van de verdachte ter terechtzitting een tegenstrijdigheid in de bewijsmotivering heeft teweeggebracht. In de tweede volzin van die verklaring deelt de verdachte mee in paniek te zijn geweest op het moment dat hij [betrokkene] schudde, terwijl de rechtbank in de door het hof overgenomen bewijsmotivering nou juist overwoog dat zij geen geloof hechtte aan verdachtes mededeling over deze gemoedstoestand.
9. Deze terecht voorgestelde klacht hoeft echter niet tot cassatie te leiden. De rechtbank heeft gemotiveerd inzicht gegeven in de gronden voor haar oordeel dat een panieksituatie niet aannemelijk is geworden. Dit oordeel is door het hof bevestigd en moet dientengevolge als het zijne worden gelezen. Het hof heeft de tweede volzin van het door hem gebezigde bewijsmiddel bij wege van kennelijke misslag opgenomen. Door weglating daarvan is de bewezenverklaring nog immer genoegzaam met redenen omkleed en komt aan de klacht de feitelijke grondslag te ontvallen.
10. Het middel klaagt voorts dat het aanvullende bewijsmiddel niet redengevend kan worden geacht voor het bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet, aangezien de verdachte daarin te kennen geeft niet
“de intentie” te hebben gehad de baby iets aan te doen. Met het weglaten van de bedoelde volzin uit het bewijsmiddel, zoals hiervoor in overweging gegeven, komt ook aan die klacht sowieso de feitelijke grondslag te ontvallen.
11. Voor het overige acht ik de bewijsvoering toereikend.
12. Het middel faalt.
13. Het
tweede middelklaagt dat de strafoverweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de reikwijdte van het verbod op een taakstraf.
14. Een taakstraf mag als regel niet worden opgelegd in geval van een veroordeling voor de in artikel 22b, eerste lid, sub a en b, Sr genoemde misdrijven, alsmede onder de in tweede lid van art. 22b Sr genoemde omstandigheden. Het derde lid van dit artikel bevat hierop de uitzondering: “
Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”
15. Het middel klaagt dat het hof – door bevestiging van de strafmaatmotivering van de rechtbank – is uitgegaan van het standpunt dat door de officier van justitie is opgenomen in zijn (schriftelijk) requisitoir onder de kop ‘straf’:
“Voor dit soort feiten, poging doodslag, bestaat gelet op de ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer volgens de wet een verbod om een werkstraf op te leggen.”
16. De rechtbank overweegt omtrent de straf onder de kop ‘Oordeel van de rechtbank’ het volgende:
“Naar het oordeel van de rechtbank past bij een poging tot doodslag op een jonge baby de oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank acht de strafeis van de officier van justitie in overeenstemming met de straf ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. In de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken.”
17. De steller van het middel betoogt dat deze (door het hof overgenomen) overweging getuigt van een onjuiste rechtsopvatting op de grond dat de rechtbank door het volgen van de strafeis van de officier van justitie ervan blijk geeft diens (onjuiste) standpunt aangaande de reikwijdte van het verbod op een taakstraf te delen. Deze klacht ontbeert echter feitelijke grondslag.
18. Voorts klaagt het middel dat in de motivering van de straf ten onrechte rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat het strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte ertoe heeft geleid dat ook de moeder van [betrokkene] als verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld.
19. Deze klacht verwijst naar de volgende passage uit de strafmotivering van de rechtbank:
“Naast de grote gevolgen voor [betrokkene] zelf, heeft het handelen van verdachte ook grote gevolgen voor de moeder van [betrokkene], zijn zusje en verdere familie. [betrokkene] en zijn zusje zijn in april 2013 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in verschillende pleeggezinnen. [betrokkene] verblijft nog steeds in een pleeggezin. Het strafrechtelijk onderzoek heeft verder ertoe geleid dat de moeder van [betrokkene] aanvankelijk ook als verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld.”
20. De verdachte kan, zo klaagt het middel, niet verantwoordelijk worden gehouden voor de wijze waarop een strafrechtelijk onderzoek wordt uitgevoerd. De motivering van de straf is volgens de steller van het middel in zoverre onbegrijpelijk.
21. Ik deel die opvatting niet. Deze passage in de strafmotivering verwijst m.i. naar hetgeen verdachtes gedrag voor zijn naasten teweeg heeft gebracht. Dat de verdachte verantwoordelijk wordt gehouden voor de niet-onvoorzienbare gevolgen van zijn daad, acht ik allerminst onbegrijpelijk.
22. Het middel faalt.
23. Het eerste middel is terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie. Het tweede middel faalt. Beide middelen kunnen met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
24. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
25. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG