Conclusie
Onderdeel 1richt zich op rov. 8.1. Aangevoerd wordt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoeker] niet te goeder trouw is ten aanzien van het ontstaan van de schulden bij Achmea, CZ en DWS van in totaal € 570.722,15. Betoogd wordt dat enerzijds sprake was van een misverstand: [verzoeker] verkeerde in de veronderstelling dat machtigingen van chronische patiënten voor onbepaalde tijd geldend waren terwijl hem pas later bleek dat deze jaarlijks verlengd moesten worden. Anderzijds was sprake van een pilot waarbij afspraken met Achmea waren gemaakt over een afwijkende wijze van declareren. Hieruit blijkt volgens het onderdeel dat [verzoeker] geen verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de schulden aan de zorgverzekeraars.
Onderdeel 2richt zich tegen rov. 9. Betoogd wordt dat er aanleiding was voor de toepassing van de hardheidsclausule omdat [verzoeker] kan aantonen dat de schulden een gevolg zijn van omstandigheden die hij thans onder controle heeft gekregen, dat hij een harde werker is en dat hij substantieel aan de boedel bijdraagt en bereid was om een schuldsaneringstraject van vijf jaar aan te gaan.
Onderdeel 3richt zich op de overweging van het hof dat er geen aanleiding bestaat om de looptijd van de schuldsaneringsregeling op vijf jaar te zetten omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor toelating tot de regeling waardoor verlenging van de looptijd van die regeling niet aan de orde is. Aangevoerd wordt dat het hof bij de beoordeling van de vraag omtrent toelating eveneens dient te beoordelen tot wanneer de schuldsaneringsregeling dient te duren.