6.7. Om dit beslisschema te kunnen toepassen moet worden uitgegaan van hetgeen het hof blijkens de bewezenverklaring over de feiten heeft vastgesteld, met name met betrekking tot de handelingen en gedragingen van de verdachte in dat verband. In casu komt dat samengevat op het volgende neer:
- op 29 mei 2014 heeft er omstreeks 13:10 uur een diefstal plaatsgevonden uit een woonwagen aan [a-straat 1] in Lisse;
- de zoon van de aangever heeft een man met een getinte huidskleur uit het slaapkamerraam van de woonwagen zien komen;
- getuige [getuige 1] heeft omstreeks 13:15 uur twee mannen met een licht getint uiterlijk, vermoedelijk Marokkaans, achter elkaar zien rennen en achter een geparkeerd staande witkleurige Volkswagen Transporter zien verdwijnen, waarna direct een zwartkleurige Seat Ibiza voorzien van kenteken [AA-00-BB] vanuit het parkeervak achter de bestelbus weg reed;
- de getuige [getuige 1] zag dat er drie personen in de Seat Ibiza zaten toen deze wegreed;
- omstreeks 14:49 uur zagen opsporingsambtenaren te Haarlem een zwarte Seat Ibiza rijden met het kenteken [AA-00-BB] ;
- in het voertuig bevonden zich drie inzittenden, onder wie de verdachte, die ieder in het bezit bleken te zijn van ongeveer een derde deel van het uit de woonwagen te Lisse ontvreemde bedrag, waaronder zich ook drie biljetten van € 500 met daarop gestempeld de letters “HASS bevonden, kennelijk afkomstig uit het gestolen geld uit de woonwagen.
6.8. Uitgaande van het beslisschema valt mij als eerste op dat het hof in zijn nadere bewijsmotivering kennelijk bewust in het midden heeft gelaten of het medeplegen van de verdachte heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering – modaliteit b) onder (I) – en/of uit gedragingen die ‘voor, tijdens of na’ het strafbare feit hebben plaatsgevonden – modaliteit b) onder (II) – al lijkt de bewijsvoering erop te wijzen dat het hof impliciet heeft aangenomen dat de verdachte in de auto is achtergebleven toen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zich naar het woonwagenkamp begaven. Dat is mijns inziens alleen al in het licht van het door de Hoge Raad geformuleerde toetsingskader voor medeplegen problematisch in verband met de vereiste precieze bewijsvoering. Daar komt nog bij dat het hof niets heeft vastgesteld over de rol van de verdachte ten opzichte van de andere twee, waardoor uit de bewijsvoering evenmin kan worden afgeleid of de verdachte een intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om van medeplegen te kunnen spreken, zoals vermeld onder c) in het beslisschema. De bewijsvoering wijst in de richting dat verdachtes handelingen tijdens het begaan van de diefstal hebben bestaan uit het wachten in de auto en de handelingen ná het feit bestaan uit het met de medeverdachten wegrijden en het vrijwel gelijkelijk delen in de buit. Dat is naar mijn mening echter ontoereikend om de verdachte, die kennelijk niet lijfelijk aanwezig was bij de diefstal zelf, noch daarbij uitvoeringshandelingen heeft verricht, toch als medepleger aan te merken. Ik acht het oordeel van het hof dat ten aanzien van de verdachte sprake is van medeplegen van de diefstal in de zin van art. 311, eerste lid onder 4, Sr dan ook ontoereikend gemotiveerd. Dat het hof in zijn motivering heeft betrokken dat de verdachten elkaar kenden en kennelijk gezamenlijk naar het woonwagenkamp zijn gereden en dat bij de verdachte een derde deel van het geld is aangetroffen uit de buit, doet hieraan niet af. Hieruit blijkt immers niet dat de verdachte een wezenlijk aandeel in de verwezenlijking van het delict heeft gehad.
6.9. Het middel is terecht voorgesteld.