Conclusie
4-WARD SOFTWARE HOLDING B.V.
4-WARD SOFTWARE B.V.
Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van de cassatiemiddelen.
eerste onderdeelkomt op tegen de overweging van het hof onder 3.6 waarin wordt overwogen dat 4-Ward door de beslissing van het hof niet in een ongunstiger positie terecht is gekomen dan waarin zij voor het cassatieberoep verkeerde, omdat de overeenkomst in stand blijft. In het eerste subonderdeel wordt het volgende aangevoerd. Het hof heeft in het arrest van 20 september 2011 aan 4-Ward een schadeloosstelling toegekend van € 77.761,-. 4-Ward heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld hetgeen is gehonoreerd. Door na verwijzing te oordelen dat 4-Ward geen schadeloosstelling toekomt is 4-Ward in een slechtere positie terecht gekomen, zelfs slechter dan voor het hoger beroep. Het hof heeft hiermee zowel de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep als de grenzen van de rechtsstrijd in de procedure na cassatie en verwijzing geschonden. In het tweede subonderdeel wordt aangevoerd dat de overweging dat 4-Ward niet in een slechtere positie terecht is gekomen onbegrijpelijk is. Het
tweede onderdeelricht zich tegen het dictum waarin het hof het vonnis van de rechtbank niet slechts heeft vernietigd voor wat betreft de schadeloosstelling maar ook voor de ontbinding. Betoogd wordt dat deze beslissing onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd, omdat geen van partijen de volledige vernietiging van de beslissing heeft gevorderd.
“Het hoger beroep richt zich subsidiair, voorwaardelijk (indien het Hof de beslissing van de rechtbank de overeenkomst te ontbinden in stand laat) tevens tegen de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde en door de aandeelhouders te betalen schadevergoeding.”Ook als deze zinsnede in samenhang met het petitum wordt gelezen, kan m.i. niet worden aangenomen dat sprake is van een voorwaardelijk ingestelde vordering, in die zin dat deze alleen geldt indien en voor zover wordt geoordeeld dat sprake is van onvoorziene omstandigheden. De tussen haakjes vermelde zinsnede heeft m.i. betrekking op het subsidiaire karakter van de grief. Deze maakt de vordering niet voorwaardelijk, zoals in het onderdeel terecht wordt betoogd. Het hof heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat niet werd toegekomen aan de subsidiaire vordering. Daaraan moet worden toegevoegd dat het hof heeft verzuimd om expliciet te oordelen over de meer subsidiaire vordering.
vierde onderdeelricht zich tegen het oordeel van het hof dat de faillissementen van [A] en [B] geen wijziging van eis rechtvaardigen. Het hof oordeelt dat deze faillissementen ‘alleen’ tot gevolg hebben dat ten aanzien van [A] en [B] beslist dient te worden met inachtneming van de artikel 25 tot Pro en met 30 van de Faillissementswet. In het eerste subonderdeel wordt erop gewezen dat de faillissementen niet
alleengevolgen hadden voor deze vennootschappen maar dat deze ook tot gevolg hebben dat 4-Ward geen belang meer heeft bij haar primaire vordering. Dit subonderdeel slaagt m.i. niet. Het hof verwijst naar de procesrechtelijke gevolgen van de faillissementen. Aan het woordje ‘alleen’ moet m.i. geen zelfstandige betekenis worden toegekend. Het hof heeft met het gebruik van dit woordje niet willen zeggen dat de faillissementen materieel gezien geen gevolgen hebben. Ik acht de overweging van het hof op zichzelf dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk. In het tweede subonderdeel wordt aangevoerd dat 4-Ward juist ten behoeve van de primaire vordering cassatieberoep had ingesteld en dat dit cassatieberoep in de redenering van het hof zou leiden tot afwijzing van de subsidiaire vorderingen zodat zonder de eiswijziging alle vorderingen van 4-Ward voor afwijzing gereed lagen. Hetgeen in dit subonderdeel wordt aangevoerd is in zoverre juist dat de omstandigheid dat de primair gevorderde nakoming niet zinvol meer was en 4-Ward niet werd toegestaan de grondslag van de vordering te wijzigen, er in de redenering van het hof toe heeft geleid dat ook de subsidiaire vordering diende te worden afgewezen. Echter, indien het hof – zoals het in mijn visie had gemoeten – de door de rechtbank uitgesproken ontbinding op grond van onvoorziene omstandigheden als gegeven had beschouwd, had het probleem zich niet voorgedaan en was de subsidiaire vordering toewijsbaar geweest. Het subonderdeel behoeft in zoverre geen verdere bespreking. Dit geldt voor de overige subonderdelen.
vijfde onderdeelbestaat uit twee subonderdelen. In het eerste subonderdeel wordt betoogd dat eiswijziging na verwijzing wel mogelijk is onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 2 oktober 1998. [7] Dit subonderdeel slaagt niet. In genoemd arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat eisvermeerdering na verwijzing bij wijze van uitzondering mogelijk was omdat partijen uitsluitend hadden gestreden over de aansprakelijkheidsvraag en het beroep in cassatie uitsluitend op die vraag betrekking had. In deze zaak is het geschil echter reeds in volle omvang aan de orde geweest. Niet alleen over de grondslag van de vordering maar ook over de hoogte van de schadeloosstelling is door partijen geprocedeerd. Voor een uitzondering op de hoofdregel bestaat dan geen aanleiding. In het tweede subonderdeel wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte is uitgegaan van de vordering in de MvG van 31 januari 2008. Het subonderdeel wijst erop dat vordering bij akte van 4 januari 2011 is gewijzigd. Naar mijn mening slaagt dit subonderdeel. De akte van 4 januari 2011 vermeldt weliswaar niet de woorden ‘vermeerdering van eis’ maar aan het slot van de akte is een nieuw petitum geformuleerd waarin een schadeloosstelling van € 531.310,40 ter zake van het aandelenpakket wordt gevorderd en een schadeloosstelling ter zake van kapitaalinjecties, lager bedrijfsresultaat en advieskosten van € 327.867,85, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over deze bedragen vanaf 26 oktober 2005 tot de voldoening. Tevens wordt een immateriële schadevergoeding naar redelijkheid en billijkheid gevorderd. Uit de antwoordakte van [verweerster] d.d. 15 februari 2011 blijkt dat [verweerster] de akte als eiswijziging heeft opgevat. [verweerster] heeft tegen de vermeerdering van eis geen bezwaar gemaakt en er inhoudelijk op gereageerd. In de ‘antwoord-memorie na verwijzing’ van 12 augustus 2014 bevestigt [verweerster] nogmaals dat zij de akte als eiswijziging heeft opgevat. Zij maakt hierbij alsnog bezwaar tegen die eiswijziging maar dat moet m.i. als tardief wordt beschouwd. M.i. had het hof dan ook moeten uitgaan van de gevorderde schadeloosstelling van in totaal € 859.178,25 in plaats van de eis zoals deze op 31 januari 2008 luidde. Dit subonderdeel slaagt.