Conclusie
1.Feiten en procesverloop
grief 1) en zijn eigen schuld (
grief 2) bestreden.
“Tussenconclusie”overwogen dat de grieven in incidenteel appel niet in de weg staan aan de toewijzing van de initiële vorderingen van [verweerder] en dat uit het slagen van de grieven 1 en 2 van [verweerder] in principaal appel blijkt dat de periode waarover de Gemeente schadevergoeding jegens [verweerder] is verschuldigd, zonder 20% eigen schuld vanwege fouten in de aanvraagfase, in beginsel langer is dan de rechtbank heeft geoordeeld, namelijk niet van (afgerond) 2001-2003 maar van (afgerond) 1995-2003 (rov. 4.31). Vervolgens heeft het hof - na reeds te hebben vastgesteld dat het bestaan of de mogelijkheid van schade als gevolg van de onrechtmatige daad aannemelijk is, hetgeen voldoende is voor een schadestaatprocedure, en dat is voldaan aan het
condictio sine qua non-verband ten aanzien van in elk geval de in het rapport Gloudemans berekende schade(posten) (rov. 4.27-4.30) - geoordeeld dat de grieven 1 en 2 van [verweerder] in het principale appel slagen, terwijl de grieven in het incidentele appel falen, behoudens voor zover de kwestie van de toerekening van de schade onder grief A is te begrijpen en daarover later zal worden geoordeeld, zodat het bestreden vonnis in zoverre zal moeten worden vernietigd (rov. 5.1).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Causaal verband/toerekening schade
Van de kant van de gemeente wordt aangegeven dat uit onderzoek van de dossiers is gebleken dat de gemeente niet een aanvraag van [verweerder] bekend is”. Dit sluit aan bij de eerdere en latere stellingen van de gemeente en ziet op de kwestie of een aanvraag in de gemeentelijke administratie aanwezig is. Dat er geen aanvraag zou zijn geweest op de wijze zoals [verweerder] heeft gesteld, blijkt evenwel niet uit deze passage. Dat het proces-verbaal onjuist of onvolledig zou zijn, is gesteld noch gebleken. Het hof wijst er in dat verband nog op dat ook [betrokkene] van DLV Bouw Milieu Techniek, adviseur van [verweerder] , er reeds in 2002 vanuit ging dat er in juni 1996 een aanvraag was ingediend die nog steeds bij de gemeente lag en nog niet behandeld was, zoals blijkt uit de notitie van 26 maart 2002 (productie 12 bij akte uitlating verweren van [verweerder] , pagina’s 3 en 7). Daarmee verwerpt het hof de stelling van de gemeente dat de aanvraag niet is ingediend.
Op zich lijkt een milieuvergunning voor de inrichting aan de [a-straat 1] alhier (...) in beginsel niet zondermeer onmogelijk.”. Dat het hier gaat om het perceel aan de [a-straat 1] , zijnde de destijds bestaande bedrijfsvestiging van [verweerder] , maakt het voormelde oordeel niet anders.
“Beoordeling Veehouderij en Hinderwet”gelijk zou staan aan een ammoniakreductieplan. Uit de uitspraak van de AbRvS blijkt dat deze notitie rechtens niet als een ammoniakreductieplan kon gelden en dus geen basis kon vormen voor de rechtsgeldige verlening van de (oorspronkelijke) milieuvergunning.
gevolgvan de onrechtmatige besluitvorming aan de Gemeente kan worden toegerekend (vergelijk de
“dientengevolge”-eis van art. 6:162 lid 1 BW Pro; vergelijk voorts art. 6:98 BW Pro).
“Voor zover dit verweer niet reeds afstuit op hetgeen in het tussenarrest van 21 mei 2013 is overwogen, verwerpt het hof dit verweer en overweegt daartoe als volgt”). Kennelijk heeft het hof hier gedoeld op de rov. 4.14 en 4.30 van het tussenarrest van 21 mei 2013, welke rechtsoverwegingen ik hieronder integraal weergeef:
Voor zover bij de pleidooien is opgemerkt dat niet meer is beslist omdat de vergunning toch niet kon worden verleend, naar het hof begrijpt in verband met de ammoniakproblematiek, passeert het hof dit verweer.Immers, de gemeente heeft wel zelf herziening van de (eerste) uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak gevraagd (daargelaten dat als gevolg van het verzuim om het griffierecht tijdig te voldoen, de gemeente in die herziening niet-ontvankelijk is verklaard) en zij was kennelijk op dat moment van oordeel dat de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak niet in stand kon blijven, althans voor herziening vatbaar was, hetgeen niet anders kan worden begrepen dan dat de gemeente kennelijk van oordeel was dat de vergunning in stand diende te blijven. Het hof constateert voorts dat de houding van de gemeente om niet meer op de aanvraag te beslissen, zonder toelichting die ontbreekt, zich niet verhoudt met de mededeling in haar brief van 22 maart 2005 aan [verweerder] (rechtsoverweging 3.20) dat zij “
als bevoegd gezag, verantwoordelijkheid draagt voor de totstandkoming van de milieuvergunningen die door de Afdeling zijn vernietigd.” Deze houding verhoudt zich evenmin met de omstandigheid dat de derde en de vierde vergunning telkenmale door de gemeente is verleend op basis van de aanvraag van 6 juli 2000 ter zake van de tweede vergunning. In zoverre is dus ook onjuist de stelling van de gemeente dat [verweerder] feitelijk elke keer een afzonderlijke en nieuwe aanvraag heeft ingediend (memorie van antwoord sub 22).
Voorts staat voldoende vast dat in elk geval ten aanzien van de in het rapport Gloudemans berekende schade(posten) voldaan is aan het condictio sine qua non verband, zodat de grief in zoverre faalt. Het door de gemeente gestelde gebrek aan voortvarendheid aan de zijde van [verweerder] tot hervestiging van zijn bedrijf staat aan dit oordeel niet in de weg.
Of en zo ja, welke schadeposten toewijsbaar zijn en of het gestelde gebrek aan voortvarendheid van [verweerder] daaraan in de weg staat, ziet niet op het condictio sine qua non verband maar op de vraag of deze posten toegerekend kunnen worden aan de onrechtmatige daden van de gemeente. Deze vraag behoeft op dit moment in het kader van de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat geen behandeling. Wel zal deze vraag worden betrokken bij de schadevaststelling, zoals hierna aan de orde zal komen.” (onderstrepingen toegevoegd; LK).
condictio sine qua non-verband ten aanzien van de (vertragings-)schade als gevolg van het
eerstevernietigde besluit tot vergunningverlening - dat valt buiten de periode van de in het rapport Gloudemans berekende schade(posten) - nog niet vastgesteld.
“Beoordeling Veehouderij en Hinderwet”niet aan een dergelijk plan mogen worden gelijkgesteld, de Gemeente de bereidheid had om medewerking te verlenen aan de vestiging van het bedrijf ter plaatse en om de formele kaders te scheppen om vergunningverlening mogelijk te maken, zo nodig door het alsnog vaststellen van een dergelijk plan. Dat de Gemeente daartoe niet bereid was, is gesteld noch gebleken en evenmin dat daaraan politieke of bestuurlijke bezwaren in de weg zouden hebben gestaan (rov. 2.13).
“retrospectieve vergelijking met het hypothetisch rechtmatig besluit” [11] , volgens welk leerstuk causaal verband (in de zin van
condictio sine qua non-verband) tussen een (door de bestuursrechter vernietigd en deswege onrechtmatig) besluit en de als gevolg van dat besluit geleden schade ontbreekt, als ten tijde van het vernietigde besluit een rechtmatig besluit had kunnen worden genomen dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Volgens het subonderdeel had de Gemeente de gevraagde vergunning rechtmatig kunnen en ook moeten weigeren, nu voor de rechtmatige verlening van een vergunning een formeel ammoniakreductieplan noodzakelijk was. Bij die stand van zaken is, nog steeds volgens het subonderdeel, niet van belang of de Gemeente de bereidheid had om medewerking aan de vestiging van het bedrijf van [verweerder] ter plaatse te verlenen, of de Gemeente zelf meende dat haar notitie
“Beoordeling Veehouderij en Hinderwet”aan een ammoniakreductieplan zou gelijkstaan en of politieke of bestuurlijke bezwaren aan het opstellen van een formeel ammoniakreductieplan in de weg stonden.
condictio sine qua non-verband tussen het voor onrechtmatig te houden besluit en die schade ontbreekt. Dat laatste is in het bijzonder dan het geval, indien in plaats van het vernietigde besluit reeds aanstonds een wél rechtmatig besluit had kunnen worden genomen, dat naar aard en omvang eenzelfde schade als het vernietigde besluit tot gevolg zou hebben gehad. Doorgaans gaat het dan om een besluit van gelijke strekking als het vernietigde besluit; zo staat in het voorbeeld van de vernietigde weigering van de gevraagde vergunning aan causaal verband in de weg dat de gevraagde vergunning ook rechtmatig had kunnen worden geweigerd. Waar ook een rechtmatige weigering mogelijk was, heeft de aanvrager als gevolg van de onrechtmatige weigering geen voor vergoeding in aanmerking komende schade geleden.
“hypothetisch rechtmatig”geldende besluit heeft uitgelaten, is het, voor het geval dat de gebrekkige vergunning wordt “weggedacht”, onmiskenbaar van een ander scenario dan het subonderdeel uitgegaan.
had kunnen worden genomen, terwijl het bij de beoordeling van het vereiste
condictio sine qua non-verband aankomt op de vraag of het bestuursorgaan, indien het zich de gebrekkigheid van het in werkelijkheid genomen besluit bewust zou zijn geweest, een ander en wel rechtmatig besluit
zou hebben genomen. Kortmann schrijft daarover [13] :
zou zijngenomen, maar welk besluit genomen
had kunnen worden. Daarmee wijkt zij af van een aantal uitspraken van de burgerlijke rechter (…). Wat er ook zij van deze kritiek, de Afdeling heeft er geen aanleiding in gezien haar rechtspraak op dit punt bij te stellen. Vanuit praktisch oogpunt is dit ook wel begrijpelijk, nu het achteraf nog wel vast te stellen is welk besluit rechtens genomen
had kunnen worden, maar het niet eenvoudig is te bepalen welk besluit daadwerkelijk genomen
zou zijnin plaats van het onrechtmatige besluit. Men zou deze - aansprakelijkheidsbeperkende - variant op de csqn-toets kunnen zien als een verfijning op basis van art. 6:98 BW Pro.”
rechtmäβige Alternativverhaltenweer moeten verruilen voor de echte
condicio sine qua non-toets, omdat alleen die toets recht doet aan het beginsel van restitutio in integrum. Dat betekent dus dat de bestuursrechter niet alleen moet nagaan of van meet af aan een rechtmatig besluit had kunnen worden genomen, dat naar aard en omvang dezelfde schade tot gevolg zou hebben gehad, maar ook welk besluit er daadwerkelijk genomen zou zijn.”
condictio sine qua non-leer in verband met de aansprakelijkheid voor onrechtmatige besluiten aldus [15] :
dezelfderechtsgevolgen zou zijn genomen. Het gaat dan om de vraag of een zodanig rechtmatig besluit inderdaad genomen had kunnen worden en of het bestuursorgaan dat ook zou hebben gedaan. Is dat het geval dan ontbreekt in zoverre oorzakelijk verband.”
Gemeente Amsterdam/Have c.s.) [21] zou kunnen worden afgeleid dat ook de Hoge Raad van oordeel is dat het enkele voorhanden zijn van een rechtmatig alternatief dat in ieder geval een deel van dezelfde schade zou hebben veroorzaakt, in de weg staat aan het aannemen van causaal verband tussen een onrechtmatig besluit en de geleden schade. Zij leiden dat hieruit af, dat de Hoge Raad in het genoemde arrest het eveneens rechtmatige alternatief van een
tijdigebeslissing buiten beschouwing heeft gelaten. Naar mijn mening kan daaruit echter niet worden afgeleid dat de Hoge Raad met
iederhypothetisch rechtmatig besluit genoegen neemt; in de bedoelde zaak, waarin aan de orde was dat de gemeente de wettelijke beslistermijn had overschreden omdat zij het door haar gevraagde Bibob-advies wilde afwachten, is weinig aannemelijk dat zij, in plaats van gebruik te maken van haar wettelijke bevoegdheid de beslistermijn te verlengen, tijdig maar zonder Bibob-advies zou hebben besloten. Kennelijk heeft de Hoge Raad in het genoemde arrest niet bedoeld bij de enkele beschikbaarheid van het rechtmatige alternatief van een termijnverlenging aan te sluiten, maar achtte hij dat alternatief ook meer aannemelijk dan het alternatief van een besluit, zonder dat over het gevraagde Bibob-advies kon worden beschikt.
meerderealternatieven als hypothetisch rechtmatig besluit aandienen, kan de burgerlijke rechter mijns inziens bezwaarlijk een andere opvatting aanvaarden dan dat het meest aannemelijke van die alternatieven als referentiepunt geldt [22] . Het als “hypothetisch rechtmatig” meest voor de hand liggende alternatief is in het onderhavige geval
nietde door het subonderdeel bedoelde weigering. Gelet op de intenties van de Gemeente om [verweerder] de door hem gevraagde vergunning te verlenen, ligt het meest voor de hand dat de Gemeente, zo zij zich de volgens de AbRvS uit de IAV voortvloeiende eisen bewust was geweest, [verweerder] de gevraagde vergunning had verleend, ná daarvoor het vereiste formele kader (een aan de daaraan te stellen eisen beantwoordend ammoniakreductieplan) in het leven te hebben geroepen. In de hypothetische situatie dat de Gemeente in plaats van de gebrekkige vergunningverlening een rechtmatig besluit had genomen, is de door het subonderdeel bedoelde (en van de destijds bestaande intenties van de Gemeente afwijkende) weigering onaannemelijk, óók als zou moeten worden aangenomen dat op het moment dat de gebrekkige vergunning werd verleend, een (aan de daaraan te stellen eisen beantwoordend) ammoniakreductieplan nog niet voorhanden was. Aannemelijker dan dat de Gemeente de gevraagde vergunning in dat geval aanstonds zou hebben geweigerd, is dat de Gemeente haar besluit zou hebben aangehouden, totdat de gevraagde vergunning zou kunnen worden verleend. In dat verband teken ik nog aan dat in de rechtspraak van de bestuursrechter ook een rechtmatig besluit dat niet dan met enige vertraging had kunnen worden genomen, als in aanmerking te nemen hypothetisch rechtmatig besluit kan gelden. Wel kan een dergelijke (onvermijdelijke) vertraging ertoe leiden dat de schade die gedurende de tussentijd zou zijn geleden, moet worden vergoed [23] .
“Beoordeling Veehouderij en Hinderwet”aan een ammoniakreductieplan zou gelijkstaan. Deze omstandigheden vormen immers een aanwijzing dat de intenties van de Gemeente op vergunningverlening waren gericht en dat de Gemeente niet van die intenties zou hebben afgezien als zij zich ervan bewust was geweest dat (als)nog een ammoniakreductieplan diende te worden opgesteld.
hypothetischesituatie dat zij zich van het vereiste van een ammoniakreductieplan bewust zou zijn geweest, tijdig (of althans op zo kort mogelijke termijn na 20 (19; LK) mei 1994) een dergelijk plan zou hebben vastgesteld en de gevraagde vergunning (alsnog) zou hebben verleend.
“het ARP-Hengelo”, waarmee onmiskenbaar op een ammoniakreductieplan wordt gedoeld. Althans ten tijde van die brief was derhalve een ammoniakreductieplan van kracht. En ook al zou dat laatste anders zijn, dan zou dat nog niets zeggen over de bereidheid van de Gemeente om een dergelijk plan vast te stellen in de (hypothetische) situatie dat zij zich de noodzaak tot vaststelling van een dergelijk plan reeds voor 30 juni 1995 zou hebben gerealiseerd. Dat de Gemeente in
datstadium geen ammoniakreductieplan heeft vastgesteld, ligt voor de hand, nu de Gemeente, zoals ook blijkt uit de uitspraak van de AbRvS van 30 juni 1995 [26] , van oordeel was dat haar (ook in rov. 2.13 genoemde) notitie
“Beoordeling Veehouderij en Hinderwet”op grond van de IAV met een ammoniakreductieplan als bedoeld in die wet kon worden gelijkgesteld.
condictio sine qua non-verband doorbrekende en de Gemeente derhalve “bevrijdende”) weigering van de gevraagde vergunning in aanmerking dient te worden genomen. Het hof heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat hervestiging met vergunningverlening niet mogelijk was, zodat de schade in beginsel valt toe te rekenen aan de vernietiging van de eerste (en latere) beschikking(en). Kennelijk was het hof van oordeel dat de Gemeente (ook met de door het subonderdeel bedoelde stellingen) onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat als “hypothetisch rechtmatig alternatief” voor de door de AbRvS vernietigde eerste vergunning slechts een weigering van de gevraagde vergunning zou kunnen gelden.
nieuwvestiging op basis van te verwerven ammoniakrechten voorstond (te weten één waarbij de rechten van de oude locatie op enigerlei wijze in aanmerking zouden worden genomen) en dit mede een rol zal hebben gespeeld in zijn afwijzende houding, kan de geciteerde passage (wat daarvan overigens zij) ook daarom niet beslissend zijn, omdat in de
hypothetischesituatie van een rechtmatige vergunningverlening ten tijde van of kort na de eerste (en gebrekkige) vergunningverlening, niet de marktsituatie met betrekking tot ammoniakrechten in 1997, maar die in 1994/1995 beslissend zou zijn.
“de op dat moment weer openliggende aanvraag (dan wel de gelijkluidende beslissing op bezwaar)”diende te beslissen, welke beslissing ook de verlening van de gevraagde vergunning zou kunnen inhouden. Daaraan heeft het hof in rov. 2.12 toegevoegd dat onvoldoende vaststaat dat een nieuw besluit slechts tot een weigering had kunnen leiden. In diezelfde rechtsoverweging heeft het hof de Gemeente bovendien tegengeworpen dat zij zichzelf de kans heeft ontnomen de juistheid van haar standpunt in rechte te doen vaststellen door, in strijd met haar wettelijke plicht, niet opnieuw (en wel met een weigering van de gevraagde vergunning) op de oorspronkelijke aanvraag te beslissen.
“ook in zoverre onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld, immers in strijd met de artikelen 7:11 en 7:25 Awb.”Aan de aldus vastgestelde onrechtmatigheid van het uitblijven van een nieuwe beslissing op de oorspronkelijke aanvraag heeft het hof echter geen consequenties verbonden. Het hof heeft (reeds blijkens rov. 4.14 van het tussenarrest van 21 mei 2013) de vernietigde vergunningen als basis voor de vorderingen van [verweerder] beschouwd (
“Voor een beroep op onrechtmatige daad bieden de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak over de afzonderlijke vernietigde vergunningen de basis voor de vorderingen van [verweerder] . (…)”) en de overwegingen in het tussenarrest van 16 september 2014 hebben daarin geen verandering gebracht. Het subonderdeel zelf verwijst in dit verband (terecht) naar de in dat tussenvonnis geformuleerde en aan de deskundige te stellen vraag naar de schade die [verweerder] heeft geleden
“als gevolg van de vernietiging door de Afdeling bestuursrechtspraak van de aan hem verleende milieuvergunningen ten behoeve van een stoeterij”(rov. 2.23 en dictum).
condictio sine qua non-verband, niet in stand kan blijven.
Gemeente Eindhoven/Van Ingen en Van Dungen q.q.) [34] . Keerzijde van deze regel is volgens het subonderdeel dat indien een aanvrager niet opkomt tegen niet tijdig beslissen, de (vertragings)schade die is ontstaan gedurende de periode waarin hij niet op het nemen van een beslissing heeft aangedrongen (desnoods door het aanwenden van rechtsmiddelen), voor zijn rekening komt, behoudens het geval dat zich bijzondere omstandigheden in de hiervoor bedoelde zin voordoen.
onrechtmatig handelenvan de Gemeente door niet (tijdig) te beslissen op aanvragen van [verweerder] , maar slechts op de verantwoordelijkheid (en zwaarwegende rechtsplicht) van de Gemeente om daadwerkelijk te handelen en zelfstandig (ook zonder daartoe te zijn aangespoord door [verweerder] of daartoe te zijn gedwongen door vanwege [verweerder] ingestelde rechtsmiddelen) op aanvragen van [verweerder] te beslissen. Het hof behoefde zich bij de verdeling van de schade ook niet op onrechtmatig handelen van de Gemeente te baseren; art. 6:101 lid 1 BW Pro spreekt van
“de aan ieder toe te rekenen omstandigheden”die aan de schade hebben bijgedragen en laat in zijn slotzin zelfs toe bij de toepassing van de billijkheidscorrectie
“andere omstandigheden van het geval”te betrekken.
volledigvoor zijn rekening zou laten, terwijl moeilijk kan worden aangenomen dat, naast de aan de Gemeente toe te rekenen gebrekkigheid van de eerste vergunning, niet ook het uitblijven van een beslissing, daar waar de Gemeente tot beslissen verplicht was, tot de schade over diezelfde periode heeft bijgedragen [35] . De door het hof vastgestelde verdeling komt uiteindelijk erop neer dat de schade over de periode waarover [verweerder] inactiviteit kan worden verweten, gelijkelijk over partijen is verdeeld, terwijl de schade over periode waarover [verweerder] een dergelijk verwijt niet treft, volledig voor rekening van de Gemeente als aansprakelijke partij komt.
Verjaring
Gelijk partijen reeds in 1991,1993 en 1995 hebben onderkend, is cliënt afhankelijk van niet alleen een herhuisvesting van hem en zijn gezin, maar ook van daadwerkelijke verplaatsing en van (her-)vestigingsmogelijkheden van zijn paardenhouderij. (...) De noodzaak tot aanvullende schadeloosstelling doet zich nu reeds voor. Indien en voor zover (her-)vestiging van de paardenhouderij binnen de gemeentegrenzen van Hengelo (O) niet mogelijk is en/of niet door middel van inruiling een zodanige plek elders in Twente kan worden verkregen, is er een reden voor en/of de noodzaak tot verdere schadeloosstelling. Namens cliënt wordt het voorstel gedaan dat Uw College zo spoedig mogelijk komt met een lijst van plaatsen en/of gebieden waar cliënt zich reëel kan vestigen, (...) en met inachtneming van de door U uit te spreken bereidheid tot aanvullende schadeloosstelling en/of een overbruggingsfinanciering. Acht uw college die weg niet begaanbaar, dan dient er o.i. worden gesproken over algehele nadere schadeloosstelling.”
een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt”, worden begrepen in het licht van de strekking van de stuitingshandeling. Deze is dat de schuldenaar voldoende duidelijk dient te worden gewaarschuwd dat hij, ook na het verstrijken van de (reguliere) verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser in te stellen vordering kan verweren.
Het oorspronkelijke lid 1 kende slechts stuiting door een schriftelijke aanmaning. In een situatie waarin partijen met elkander in onderhandeling zijn of anderszins de verhouding tussen hen wellicht noopt tot terughoudendheid met het eisen van nakoming op korte termijn van een vordering die vooralsnog betwist wordt, kan echter een aanmaning een voor de schuldeiser minder passend middel zijn om zijn rechten veilig te stellen. Toegevoegd is daarom de mogelijkheid om de verjaring te stuiten door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.”
“inmiddels (meer dan) duidelijk is dat de oorspronkelijke doelstellingen zoals die mede ten grondslag hebben gelegen aan de tussen partijen tot uitgangspunt voor hun transactie genomen feiten en overwegingen in de jaren 1990/1991 niet meer kloppen”, om welke reden
“er (…) dan ook alle aanleiding voor aanpassing van het oorspronkelijk contract (is).”
“(d)e noodzaak tot aanvullende schadeloosstelling (…) zich nu reeds voor(doet).”Die
“aanvullende schadeloosstelling(de term schadevergoeding wordt consequent vermeden)
en/of een overbruggingsfinanciering”zou volgens het vervolg van de brief deel moeten uitmaken van de contractuele aanpassingen, naast een door de Gemeente te verstrekken
“lijst van plaatsen en/of gebieden waar cliënt zich reëel kan vestigen, dat wil zeggen zonder de beperkende of belemmerende factoren voor wat betreft een bouwvergunning en/of een milieuvergunning”. Voor het geval dat de Gemeente die weg niet begaanbaar zou achten, noemt mr. Garretsen als alternatief dat (kennelijk nog steeds in het kader van een aanpassing van het contract) zou moeten worden
“gesproken”(niet over een slechts
“aanvullende”, maar) over een
“algehele nadere schadeloosstelling”.
“beschreven wijze van uitwerking en overleg om welke reden niet tot stand (komt)”,besluit de brief (niet met de dreiging van een schadevergoedingsactie uit onrechtmatige daad, maar) met de mededeling dat mr. Garretsen reeds beschikt over een
“opdracht van cliënt bij de Rechtbank Almelo om een vonnis tot wijziging cq aanpassing van het contract te verzoeken.”
“dat het [verweerder] menens was”(in wettelijke termen: dat [verweerder] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming van de verbintenis uit onrechtmatige daad voorbehield), onvoldoende begrijpelijk.
“de schade als gevolg van het handelen van de gemeente daterende van vóór 10 mei 2000, is verjaard”(rov. 4.5 van het tussenarrest van 21 mei 2013). De rechtbank heeft dat oordeel immers hierop gebaseerd dat in de vijf jaren, voorafgaand aan de als stuitingshandeling op te vatten brief van 10 mei 2005, géén stuitingshandelingen zijn verricht (rov. 12.5 van het vonnis van de rechtbank) en dat derhalve (i) onrechtmatig handelen of nalaten vóór 10 mei 2000 buiten beschouwing moet blijven (rov. 13.1-13.2 van het vonnis van de rechtbank) en (ii) stuitingshandelingen die vóór 10 mei 2000 hebben plaatsgevonden, niet van beslissende betekenis zijn, omdat, ook als zulke stuitingshandelingen zijn verricht, de nieuwe verjaringstermijn die daardoor aanving, reeds was afgelopen vóórdat (op 10 mei 2005 en dus te laat) een nieuwe stuitingshandeling werd verricht (rov. 12.7). Als de brief van mr. Garretsen van 24 september 1999 al als een stuitingshandeling kan worden opgevat, zou dat, gegeven de (in zoverre in hoger beroep niet met succes bestreden) vaststellingen van de rechtbank, niet aan de door de Gemeente ingeroepen verjaring in de weg staan, zij het dat die verjaring in dat geval niet reeds op 10 mei 2000, maar eerst op 24 september 2004 zou zijn ingetreden.