Conclusie
Onderdeel 1betoogt dat de rechtbank niet de vraag aan de orde had moeten stellen of sprake is van een geldig (voor erkenning in Nederland vatbaar) huwelijk tussen [de moeder] en [betrokkene 2], maar de vraag of [betrokkene 1] een kind is van [betrokkene 2]. Krachtens art. 1 lid Pro 1, aanhef en onder d, juncto art. 3 lid 1 RWN Pro is Nederlander het kind waarvan ten tijde van de geboorte de vader of de moeder Nederlander is. Het onderdeel faalt, omdat het miskent dat ten einde na te gaan of [betrokkene 1] in een familierechtelijke betrekking tot [betrokkene 2] staat (zie art. 1 lid Pro 1, aanhef en onder d, RWN) een onderzoek naar de grondslag waarop die betrekking berust noodzakelijk is. Nu [de moeder] heeft gesteld dat die grondslag moet worden gevonden in het huwelijk van haar met [betrokkene 2], heeft de rechtbank terecht onderzocht of ten tijde van de geboorte van [betrokkene 1] sprake was van een geldig, in Nederland te erkennen huwelijk van [de moeder] en [betrokkene 2].
Onderdeel 2bevat motiveringklachten tegen rov. 5.10. Het oordeel van de rechtbank is in het licht van rov. 5.8 en 5.9 niet onbegrijpelijk, zodat het onderdeel faalt.
Onderdeel 3betoogt dat de rechtbank ten onrechte het Ghanese huwelijk van [de moeder] en [betrokkene 2] niet heeft erkend. Het onderdeel faalt, omdat de rechtbank heeft overwogen dat een dergelijk huwelijk onder voorwaarden wel degelijk kan worden erkend en met alle middelen rechtens kan worden bewezen. De rechtbank heeft in rov. 5.9 de overgelegde bewijsmiddelen (drie verklaringen: van [de moeder] en van haar ouders, alsmede een aantal foto’s) als onvoldoende beoordeeld. Hierop stuit het onderdeel af. In
onderdeel 4wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte en op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat het bestaan van het Ghanese huwelijk niet is aangetoond en dat de rechtbank bij weging van de bewijsmiddelen de door [de moeder] aangevoerde andere argumenten en bewijsmiddelen heeft miskend. Ook dit onderdeel faalt. Het is aan de rechter het bewijs te waarderen (art. 152 lid 2 Rv Pro) en een dergelijke waardering is, als overwegend van feitelijke aard, voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie verder niet op begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel van de rechtbank in rov. 5.9 en 5.10 is overigens niet onbegrijpelijk.