ECLI:NL:PHR:2016:502

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2016
Publicatiedatum
17 juni 2016
Zaaknummer
16/01175
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 17 RWNArt. 1 lid 1 RWNArt. 3 lid 1 RWNArt. 152 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap wegens onvoldoende bewijs Ghanees huwelijk

De zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van een in Ghana geboren kind, ingediend door de moeder als wettelijk vertegenwoordigster. De moeder stelde dat zij op gewoonterechtelijke wijze was gehuwd met de vader, die de Nederlandse nationaliteit bezat. De rechtbank wees het verzoek af omdat het bestaan van het Ghanees huwelijk niet was aangetoond met voldoende bewijs.

De moeder stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking, met het argument dat de rechtbank ten onrechte de geldigheid van het huwelijk als uitgangspunt had genomen in plaats van de familierechtelijke relatie tussen vader en kind. De Hoge Raad oordeelde dat het onderzoek naar het huwelijk noodzakelijk was om de familierechtelijke betrekking vast te stellen.

De klachten van de moeder werden verworpen omdat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het bewijs voor het Ghanees huwelijk onvoldoende was. De waardering van bewijs is een taak van de feitenrechter en kan in cassatie niet op begrijpelijkheid worden getoetst. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het Ghanees huwelijk.

Conclusie

Zaak 16/01175
Mr. P. Vlas
Zitting, 22 april 2016
Conclusie inzake art. 80a RO:
[de moeder], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van [betrokkene 1]
(hierna: [de moeder])
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst)
1. Voor zover in cassatie van belang gaat het om de volgende feiten. [de moeder] heeft zich als wettelijk vertegenwoordigster van [betrokkene 1] op de voet van art. 17 Rijkswet Pro op het Nederlanderschap (RWN) tot de rechtbank Den Haag gewend met het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van [betrokkene 1]. [de moeder] heeft daartoe aangevoerd dat zij op 15 januari 2008 in Ghana op gewoonterechtelijke wijze is gehuwd met [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), maar dat daarvan nooit een huwelijksakte is opgemaakt. [betrokkene 1] is op [geboortedatum] 2008 te Prampram (Ghana) geboren. In de geboorteakte staat [de moeder] vermeld als de moeder en [betrokkene 2] als de vader; de geboorte is op 17 februari 2009 op aangeven van [de moeder] geregistreerd. Bij Koninklijk Besluit van 14 juli 1992 heeft [betrokkene 2] de Nederlandse nationaliteit verkregen. [betrokkene 2] is op 26 januari 2010 te Utrecht overleden.
2. Bij beschikking van 3 december 2015 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat het voor de vaststelling van het Nederlanderschap van [betrokkene 1] van belang is of sprake is van een geldig huwelijk tussen [de moeder] en [betrokkene 2]. Een in Ghana gesloten gewoonterechtelijk huwelijk kan onder voorwaarden als rechtsgeldig worden aangemerkt en het bestaan daarvan kan door alle middelen rechtens worden bewezen (rov. 5.8). De rechtbank acht de door [de moeder] overgelegde bewijsmiddelen (verklaringen van haarzelf en haar ouders, alsmede een aantal foto’s die de huwelijksdag in beeld zouden brengen) onvoldoende en is van oordeel dat het bestaan van een Ghanees huwelijk met [betrokkene 2] niet is aangetoond (rov. 5.9), zodat niet is komen vast te staan dat [betrokkene 1] is geboren uit een in Ghana rechtsgeldig gesloten huwelijk tussen [de moeder] en [betrokkene 1] (rov. 5.10).
3. [de moeder] heeft (tijdig) beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen en is gericht tegen rov. 5.8, 5.9 en 5.10 van de bestreden beschikking.
4. De klachten rechtvaardigen geen behandeling in cassatie, omdat zij klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Onderdeel 1betoogt dat de rechtbank niet de vraag aan de orde had moeten stellen of sprake is van een geldig (voor erkenning in Nederland vatbaar) huwelijk tussen [de moeder] en [betrokkene 2], maar de vraag of [betrokkene 1] een kind is van [betrokkene 2]. Krachtens art. 1 lid Pro 1, aanhef en onder d, juncto art. 3 lid 1 RWN Pro is Nederlander het kind waarvan ten tijde van de geboorte de vader of de moeder Nederlander is. Het onderdeel faalt, omdat het miskent dat ten einde na te gaan of [betrokkene 1] in een familierechtelijke betrekking tot [betrokkene 2] staat (zie art. 1 lid Pro 1, aanhef en onder d, RWN) een onderzoek naar de grondslag waarop die betrekking berust noodzakelijk is. Nu [de moeder] heeft gesteld dat die grondslag moet worden gevonden in het huwelijk van haar met [betrokkene 2], heeft de rechtbank terecht onderzocht of ten tijde van de geboorte van [betrokkene 1] sprake was van een geldig, in Nederland te erkennen huwelijk van [de moeder] en [betrokkene 2].
Onderdeel 2bevat motiveringklachten tegen rov. 5.10. Het oordeel van de rechtbank is in het licht van rov. 5.8 en 5.9 niet onbegrijpelijk, zodat het onderdeel faalt.
Onderdeel 3betoogt dat de rechtbank ten onrechte het Ghanese huwelijk van [de moeder] en [betrokkene 2] niet heeft erkend. Het onderdeel faalt, omdat de rechtbank heeft overwogen dat een dergelijk huwelijk onder voorwaarden wel degelijk kan worden erkend en met alle middelen rechtens kan worden bewezen. De rechtbank heeft in rov. 5.9 de overgelegde bewijsmiddelen (drie verklaringen: van [de moeder] en van haar ouders, alsmede een aantal foto’s) als onvoldoende beoordeeld. Hierop stuit het onderdeel af. In
onderdeel 4wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte en op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat het bestaan van het Ghanese huwelijk niet is aangetoond en dat de rechtbank bij weging van de bewijsmiddelen de door [de moeder] aangevoerde andere argumenten en bewijsmiddelen heeft miskend. Ook dit onderdeel faalt. Het is aan de rechter het bewijs te waarderen (art. 152 lid 2 Rv Pro) en een dergelijke waardering is, als overwegend van feitelijke aard, voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie verder niet op begrijpelijkheid worden getoetst. Het oordeel van de rechtbank in rov. 5.9 en 5.10 is overigens niet onbegrijpelijk.
5. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G