Conclusie
onderdeel 1wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat [verzoekster] ten aanzien van de schuld aan het UWV niet te goeder trouw is. Het hof heeft volgens de klacht miskend dat er beslag op de WW-uitkering rustte, waardoor het voor [verzoekster] niet zichtbaar was dat de betaling van de WW-uitkering na drie maanden niet door het UWV werd beëindigd.
onderdeel 2heeft het hof miskend dat de schuld aan het CJIB grotendeels betrekking heeft op niet betaalde zorgpremies verhoogd met een bestuurlijke boete en een gevolg is van de betalingsproblemen waarin [verzoekster] terecht is gekomen. Het hof heeft volgens het onderdeel een verkeerde “kleuring” gegeven aan de CJIB-schuld in de zin dat kennelijk is geoordeeld dat dat wel iets te maken zal hebben met een strafrechtelijke overtreding, zodat geen sprake is van een te goeder trouw ontstane schuld.
exactbestaat en dat is blijkens het verhandelde ter zitting volgens het zittingspv geenszins onbegrijpelijk), maar zich beperkt tot de verkeersboetes en daarvan aangegeven dat daarvan gelet op de aard niet geoordeeld kan worden dat die te goeder trouw zijn. Daar richt het onderdeel zich niet tegen en hof kon dit (feitelijk) zo doen.
derde onderdeelricht zich tegen rov. 3.7. Aangevoerd wordt dat de hierin weergegeven redenering van het hof onbegrijpelijk is, nu [verzoekster] bij de rechtbank uitvoerig heeft toegelicht waaruit de schulden met de fictieve datum 1-1-1999 bestonden en de overweging overigens innerlijk tegenstrijdig zou zijn.