Conclusie
De Jongens V.O.F.
[verweerder 2]
[verweerder 3]
1. Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
grief IIIvan Grenke – dat de (eventuele) door EenGroep gedane mededelingen over de eigenschappen van de copier aan Grenke kunnen worden toegerekend. Voor een goed begrip geef ik de bestreden rov. 7 en 8 weer:
voorop: (eventuele) toezeggingen aan Grenke toe te rekenen?
onderdeel 1dat het hof in zijn hiervoor weergegeven overwegingen een onjuiste toerekeningsmaatstaf heeft gehanteerd. De vraag of de gedragingen van (de verkoper van) EenGroep jegens De Jongens V.O.F. (mede) hebben te gelden als gedragingen van Grenke en/of aan haar kunnen worden toegerekend, is volgens
subonderdeel 1.1door het hof ten onrechte beoordeeld aan de hand van de in rov. 7 aangehaalde maatstaf omtrent de schijn van volmachtverlening (art. 3:61 lid 2 BW Pro). Daartoe wordt aangevoerd dat de in titel 3 van Boek 3 BW neergelegde regeling met betrekking tot volmacht slechts betrekking heeft op het onbevoegd verrichten van
rechtshandelingen, waarvan in het onderhavige geval geen sprake zou zijn. Voorts wordt geklaagd dat de door het hof aan het slot van rov. 7 aangehaalde – aan HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521, m.nt. GJS ontleende – maatstaf in het onderhavige geval evenmin een juiste toetsingsmaatstaf vormt, omdat die maatstaf slechts zou zien op de situatie dat (vaststaat dat) sprake is van toereikende volmachtverlening voor het namens de volmachtverlener verrichten van (rechts)handelingen. Volgens het middel heeft het hof miskend dat voor de vraag naar de toerekening van
feitelijkehandelingen – zoals de door (de verkoper van) EenGroep gedane uitlatingen over de eigenschappen van de copier – een andere maatstaf geldt, namelijk of deze uitlatingen in het maatschappelijk verkeer als gedragingen of uitlatingen van de vertegenwoordigde (i.c. Grenke) kunnen worden beschouwd. Daarvan zou in de door het hof aangehaalde omstandigheden geen sprake zijn.
Subonderdeel 1.2neemt tot uitgangspunt dat het hof niet heeft miskend dat de door een derde (in casu EenGroep) gedane uitlatingen niet (zonder meer) rechtshandelingen opleveren en klaagt dat het hof in dat geval zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd door niet (nader) te motiveren waarom de door (de verkoper van) EenGroep gedane mededelingen c.q. toezeggingen omtrent de eigenschappen van de copier in dit geval rechtshandelingen opleveren. Tot slot klaagt het subonderdeel erover dat het hof evenmin heeft gemotiveerd of en in hoeverre de omstandigheden van het geval meebrengen dat de (feitelijke) uitlatingen van (de verkoper van) EenGroep in het maatschappelijk verkeer (mede) hebben te gelden als uitlatingen van Grenke.
ofiemand jegens een ander bij het verrichten van een rechtshandeling al dan niet in eigen naam is opgetreden. Het al of niet bestaan van een toereikende volmacht is daarbij niet relevant.
nietbevoegd zijn om namens Grenke uitlatingen of toezeggingen te doen of haar op een andere manier te vertegenwoordigen.
enerzijds, (i) dat De Jongens V.O.F. uit het feit dat EenGroep met door haar in te vullen standaardformulieren van Grenke op zak liep, mocht afleiden dat Grenke en EenGroep zijn overeengekomen dat EenGroep op deze wijze financieringen aanbiedt namens Grenke, althans dat Grenke weet van deze handelwijze en deze toelaat, (ii) dat alle informatie omtrent de copier door EenGroep is gegeven en (iii) dat Grenke en De Jongens V.O.F. geen contact hierover hebben gehad, en,
anderzijds, (iv) dat Grenke in haar standaardformulier uitdrukkelijk verklaart niet gebonden te zijn door mededelingen van derden. Bij de weging van deze laatste factor acht het hof van belang dat laatstgenoemd beding eerst aan het licht komt nadat de schijn van vertegenwoordiging reeds is gewekt. Het resultaat van de afweging komt mij, hoezeer dat wellicht ook anders zou hebben kunnen uitvallen, niet onbegrijpelijk voor. Subonderdeel 1.3 treft geen doel.
subonderdeel 2.1heeft het hof in rov. 8 miskend dat bij de beantwoording van de vraag of de uitlatingen van (de verkoper van) EenGroep aan Grenke kunnen worden toegerekend en/of geacht moeten worden (mede) namens Grenke te zijn gedaan, mede betekenis toekomt aan feiten en omstandigheden die zich ná het onbevoegdelijk verrichten van de betrokken (rechts)handeling hebben voorgedaan. Verwezen wordt naar HR 12 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9429, NJ 2001/157 en HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1119, NJ 2015/221, waaruit volgt dat ook posterieure feiten relevant kunnen zijn bij een dergelijk oordeel. Volgens het middel heeft het hof de verklaring van Grenke ten onrechte niet meegewogen.
grief 1cen ook elders in haar memorie van grieven nadrukkelijk betoogd dat de leaseovereenkomst tussen Grenke en De Jongens V.O.F. eerst tot stand is gekomen bij ondertekening van het leasecontract (het aanvraagformulier) door Grenke (MvG nr. 21 resp. nrs. 2-3, 18-19 en 34). Uit de door Grenke in het geding gebrachte stukken blijkt dat de ondertekening door Grenke eerst heeft plaatsgevonden op 28 november 2011 [12] , waarna zij bij brief van 29 november 2011 aan De Jongens V.O.F. heeft bevestigd dat het contract, na levering van het lease-object, van kracht is geworden. [13] De Jongens c.s. hebben de stelling van Grenke in hun memorie van antwoord niet bestreden, zodat ’s hofs vaststelling (in rov. 2.2 i.v.m. rov. 1) dat ‘de leaseovereenkomst is tot stand gekomen tussen Grenke en De Jongens V.O.F.’ niet anders kan worden begrepen dan dat ook het hof ervan uitgaat dat dit op het moment van ondertekening door Grenke is geweest. In de tweede plaats heeft het hof, zoals hiervoor onder 2.5 besproken, de – anterieure – omstandigheid dat Grenke in het aanvraagformulier en in haar AV verklaart niet gebonden te zijn door mededelingen van de leverancier en/of andere derden uitdrukkelijk meegewogen in zijn oordeelsvorming over art. 3:61 lid 2 BW Pro aangaande de toezeggingen van EenGroep.