ECLI:NL:PHR:2016:510
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij klacht over kwalificatie woninginbraak
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf voor twee diefstallen, waaronder een woninginbraak waarbij braak werd gepleegd. De verdachte stelde in cassatie dat de kwalificatie van de woninginbraak onjuist was omdat niet expliciet was vermeld dat hij zich buiten medeweten of tegen de wil van de rechthebbende in de woning bevond, een vereiste strafverzwarende omstandigheid volgens art. 311 lid 1 sub Pro 3° Sr.
De Hoge Raad overwoog dat het verschil in kwalificatie weliswaar gevolgen heeft voor het maximale strafbedrag, maar dat de door het hof opgelegde straf van vijf maanden ver onder dat maximum bleef. Bovendien was onduidelijk of de inbraak daadwerkelijk tijdens de voor de nachtrust bestemde tijd had plaatsgevonden, hetgeen ook van invloed is op de kwalificatie. De strafmotivering van het hof toonde aan dat het hof vooral gewicht gaf aan het feit dat het slachtoffer een kwetsbare bejaarde vrouw was en dat de verdachte recidiveerde.
Gezien deze omstandigheden en het feit dat het belang van de verdachte bij de klacht niet evident was, oordeelde de Hoge Raad dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De Hoge Raad verwijst daarbij naar eerdere jurisprudentie waarin soortgelijke belangenafwegingen werden gemaakt. De strafoplegging door het hof was in lijn met de richtlijnen van de Landelijke Overheidsorganisatie voor Strafrechttoepassing en Sanctiebeleid (LOVS).
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij de klacht over de kwalificatie.