ECLI:NL:PHR:2016:528
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken advocaat bij Hoge Raad
Verzoekster heeft bij de rechtbank Den Haag verzocht vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit, maar dit verzoek is bij beschikking afgewezen. Vervolgens heeft zij beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. Het cassatieschrift was ondertekend door een advocaat die niet is ingeschreven bij de Hoge Raad. De griffie van de Hoge Raad heeft verzoekster geïnformeerd over het vereiste dat cassatieberoep in civiele zaken moet worden ingesteld door een advocaat bij de Hoge Raad en dat het verzuim binnen twee weken hersteld kon worden door een nieuw verzoekschrift met juiste ondertekening.
Verzoekster heeft dit verzuim niet hersteld. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste van artikel 426a lid 1 Rv, dat juridische bijstand door een advocaat bij de Hoge Raad verplicht stelt bij cassatie in civiele zaken. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
De zaak betreft een procedure over het bezit van de Nederlandse nationaliteit, maar de Hoge Raad heeft zich niet inhoudelijk over de zaak uitgelaten vanwege procedurele niet-ontvankelijkheid. Dit arrest bevestigt het belang van correcte procesvertegenwoordiging bij cassatieprocedures.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens ontbreken advocaat bij de Hoge Raad.