ECLI:NL:PHR:2016:528

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2016
Publicatiedatum
23 juni 2016
Zaaknummer
16/01358
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken advocaat bij Hoge Raad

Verzoekster heeft bij de rechtbank Den Haag verzocht vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit, maar dit verzoek is bij beschikking afgewezen. Vervolgens heeft zij beroep in cassatie ingesteld tegen deze beschikking. Het cassatieschrift was ondertekend door een advocaat die niet is ingeschreven bij de Hoge Raad. De griffie van de Hoge Raad heeft verzoekster geïnformeerd over het vereiste dat cassatieberoep in civiele zaken moet worden ingesteld door een advocaat bij de Hoge Raad en dat het verzuim binnen twee weken hersteld kon worden door een nieuw verzoekschrift met juiste ondertekening.

Verzoekster heeft dit verzuim niet hersteld. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste van artikel 426a lid 1 Rv, dat juridische bijstand door een advocaat bij de Hoge Raad verplicht stelt bij cassatie in civiele zaken. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.

De zaak betreft een procedure over het bezit van de Nederlandse nationaliteit, maar de Hoge Raad heeft zich niet inhoudelijk over de zaak uitgelaten vanwege procedurele niet-ontvankelijkheid. Dit arrest bevestigt het belang van correcte procesvertegenwoordiging bij cassatieprocedures.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens ontbreken advocaat bij de Hoge Raad.

Conclusie

Zaaknr: 16/01358
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 22 april 2016
Conclusie inzake:
[verzoekster]
tegen
Immigratie- en Naturalisatiedienst) Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie
1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Den Haag op 19 mei 2014, heeft verzoekster tot cassatie (hierna: verzoekster), vertegenwoordigd door mr. N. van Bremen, advocaat te Rotterdam, de rechtbank verzocht vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 10 december 2015 afgewezen.
2. Bij cassatieschriftuur, gedateerd en per fax ingediend op 10 maart 2016 en ondertekend door mr. Van Bremen, heeft verzoekster te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen de onder 1 genoemde beschikking.
3. De griffie van de Hoge Raad heeft mr. Van Bremen, die geen cassatieadvocaat is, op 11 maart 2016 bericht dat een procespartij voor het instellen van beroep in cassatie in een civiele zaak juridische bijstand behoeft van een advocaat, ingeschreven bij de Hoge Raad der Nederlanden te ’s-Gravenhage en voorts dat dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
4. Het verzuim is niet hersteld, zodat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a Rv.
5. De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G