ECLI:NL:PHR:2016:530

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 mei 2016
Publicatiedatum
23 juni 2016
Zaaknummer
16/01564
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 354 lid 1 FwArt. 354 lid 2 FwArt. 358 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling zonder toekenning van schone lei wegens tekortkomingen in nakoming verplichtingen

Verzoekster was onderworpen aan een wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) die door de rechtbank tussentijds werd beëindigd zonder toekenning van een schone lei. Dit gebeurde omdat verzoekster niet voldeed aan meerdere verplichtingen: zij hield zich onvoldoende aan de sollicitatieplicht, schond de informatieplicht, liet nieuwe schulden ontstaan en droeg onvoldoende af aan de boedel.

In hoger beroep bevestigde het hof het oordeel van de rechtbank. Het hof stelde dat verzoekster geen verificerend bewijs had geleverd van haar sollicitatieactiviteiten en onvoldoende toezicht hield op de boedelafdrachten, ondanks dat zij onder budgetbeheer stond. De boedelachterstand was significant en verzoekster kon deze niet inlopen, waardoor verlenging van de regeling niet zinvol werd geacht.

De Hoge Raad concludeerde dat verzoekster toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling en dat er geen reden was om deze tekortkomingen buiten beschouwing te laten. Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard, waarmee het vonnis van het hof werd bekrachtigd.

Uitkomst: De schuldsaneringsregeling van verzoekster is terecht beëindigd zonder toekenning van een schone lei wegens tekortkomingen in nakoming van verplichtingen.

Conclusie

16/01564
mr. G.R.B. van Peursem
10 mei 2016
Conclusie inzake:
[verzoekster],
(hierna: [verzoekster]),
verzoekster tot cassatie.
2. Het hof [2] heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en heeft daartoe voor zover van belang als volgt overwogen:
“3.3. [verzoekster] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [verzoekster] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
[verzoekster] stelt dat zij wel volledig heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Volgens [verzoekster] heeft zij de sollicitatiegegevens gezonden aan de bewindvoerder en de uitkerende instantie.
[verzoekster] stelt voorts dat zij wel heeft voldaan aan de informatieplicht. [verzoekster] heeft altijd alle stukken ingediend, doch zij vermoedt dat de budgetcoach niet altijd alle stukken heeft ingediend, terwijl hij dit wel zou doen.
Met betrekking tot de boedelafdrachten stelt [verzoekster] dat de budgetcoach heeft verzaakt de juiste afdrachten te doen.
[verzoekster] merkt tot slot op dat de budgetcoach betalingen niet heeft gedaan, waardoor nieuwe schulden zijn ontstaan, zoals de huurpenningen en betalingen aan CZ en de belastingdienst.
3.4.
De bewindvoerder heeft haar verzoek om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder toekenning van de schone lei gemotiveerd gehandhaafd.
3.5.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.5.1.
Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw Pro te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw Pro dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
3.5.2.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, heeft geoordeeld dat [verzoekster] zich niet, althans onvoldoende, heeft gehouden aan de aan haar opgelegde uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting, meer in het bijzonder de sollicitatieplicht.
Het hof stelt vast dat ook in hoger beroep door [verzoekster] nog niet het begin van enig verificatoir bewijs is overgelegd met betrekking tot haar sollicitatie-activiteiten, ondanks haar aankondiging in het beroepschrift dat zij stukken zal indienen ter onderbouwing van haar stelling dat zij, op de momenten dat zij geen betaalde arbeid (meer) verrichtte, gedurende de gehele looptijd van de wettelijke schuldsanering volledig en op de juiste wijze heeft voldaan aan de sollicitatieplicht.
3.5.3.
Met betrekking tot de boedelafdrachten merkt het hof in de eerste plaats op dat alle uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen, waaronder de afdrachtplicht, rechtstreeks op [verzoekster] rusten. Dat [verzoekster] onder budgetbeheer staat maakt dat niet anders. Zij blijft een eigen verantwoordelijkheid houden dat maandelijks de door de bewindvoerder becijferde boedelafdrachten worden gedaan; in dit verband wijst het hof onder meer ook op de door de bewindvoerder op 24 juli 2013 aan [verzoekster] gezonden brief waarvan de inhoud door [verzoekster] overigens ook niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Vaststaat dat [verzoekster] vanaf medio 2013 er geen c.q. geen tijdig toezicht op heeft gehouden dat maandelijks de boedelafdracht wordt voldaan evenmin als gebleken is dat [verzoekster] er (voldoende, herhaaldelijk en tijdig) op heeft aangedrongen dat, in samenspraak met haar, tijdig een plan van aanpak zou worden opgesteld. Blijkens de brief van de bewindvoerder van 24 februari 2016 is sprake van een boedelachterstand van € 1.597,08. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is namens [verzoekster] een overzicht met betrekking tot haar inkomen en lasten overgelegd, waaruit blijkt dat zij maandelijks € 43,13 tekort komt, terwijl zij daarnaast niet in staat is om op de nieuwe ontstane en, gelet op haar leefgeld, bovenmatige schuld aan GGNCZ van € 1.525,73 af te lossen. Dat de huidige budgetcoach van [verzoekster] stelt dat er van mag worden uitgegaan dat er wat ruimte komt om de ontstane boedelachterstand in te lopen acht het hof onvoldoende deugdelijk onderbouwd.
Om die reden acht het hof, evenals de rechtbank, geen termen aanwezig om de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling te verlengen.
3.6.
Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof tot de slotsom dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw Pro te bepalen dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de "‘schone lei".
3.7.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.”
3. [verzoekster] is tijdig in cassatie gekomen met een cassatiemiddel bestaande uit twee onderdelen. Er is naar aanleiding van het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep door de advocaat van [verzoekster] een commentaar daarop van [verzoekster] zelf doorgestuurd, maar daarin zijn geen aanvullende cassatieklachten te ontwaren.
4.
Onderdeel 1richt zich tegen rov. 3.5.2 over het niet nakomen van de sollicitatieverplichting en
onderdeel 2tegen rov. 3.5.3 over de boedelafdrachten. Deze klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
5. Indien rov. 3.5.2 zo moet worden gelezen, dat het hof heeft overwogen dat ook het oordeel van de rechtbank over schending van de informatieverplichting wordt overgenomen – het hof overweegt dat [verzoekster] zich niet (voldoende) aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting heeft gehouden, “meer in het bijzonder” de sollicitatieplicht – dan wordt in cassatie niet opgekomen tegen deze zelfstandig dragende afwijzingsgrond en mist [verzoekster] belang bij haar cassatieberoep.
6. Voor zover dat niet zo moet worden opgevat, faalt onderdeel 1 al, omdat het zich richt tegen het vonnis van de rechtbank over de sollicitatieplicht aan de hand van het zittingsp-v in eerste aanleg. Het hof neemt weliswaar de gronden van de rechtbank over en maakt die tot de zijne, maar overweegt feitelijk dat ook in appel nog geen begin van onderbouwing is overgelegd met betrekking tot de sollicitatieactiviteiten van [verzoekster]. Dat is gelet op het dossier niet onbegrijpelijk. Het appelschrift onder 4. geeft zonder onderbouwing aan dat [verzoekster] wel aan haar sollicitatieplicht heeft voldaan en dat zij stukken die dit onderbouwen zal opzoeken en opvragen en zal indienen ter onderbouwing. Dat is kennelijk niet gebeurd. In het dossier wordt dat niet aangetroffen en het onderdeel verwijst er ook niet naar.
7. Onderdeel 2 richt zich eveneens tegen een feitelijk oordeel van het hof, dat niet onbegrijpelijk is, zodat dit evenmin tot cassatie kan leiden. Het is in feite een herhaling van zetten van het verworpen betoog bij appel, dat de budgetcoach niet de juiste betalingen zou hebben gedaan. Ook hiervoor geldt dat bij appelschrift onder 7. is aangekondigd dat deze stellingen met stukken zouden worden onderbouwd, maar ook dat is vervolgens kennelijk nagelaten. Dat budgetcoaching (door [verzoekster] zelf ingehuurd) zou maken dat (toezicht op) correcte boedelafdracht geen uiteindelijke verantwoordelijkheid van de schuldenaar zou zijn, zoals het onderdeel aanvoert, lijkt mij rechtens onjuist [3] .

Conclusie

Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.Rb. Oost-Brabant 14 januari 2016, insolventienummer: C/01/12/413 R.
2.Hof ’s-Hertogenbosch 17 maart 2016, zaaknummer: 200.184.111/01.
3.Haar advocaat in feitelijke instanties ging bij brief van 7 maart 2016 overigens ook uit van het “feit dat zij verantwoordelijk was en is” voor correcte boedelafdrachten ondanks haar samenwerking met haar toenmalige budgetcoach, maar dat de achterstand door fouten van laatstgenoemde niet (volledig) toerekenbaar zou zijn, vgl. prod. 6 van het onder de noemer “Inventarislijst” overgelegde procesdossier onder het kopje “Conclusie”.