Beoordeling
Het hof acht het navolgende van belang. Allereerst dient, zoals terecht door de verdediging naar voren is gebracht, de vraag te worden beantwoord of de facturen vals zijn, waarbij de vraag centraal staat of er door [LL] BV - in de persoon van [betrokkene 22] - werkzaamheden zijn verricht die de grondslag (kunnen) vormen voor de op naam van [LL] BV verzonden facturen.
[betrokkene 22] heeft ten overstaan van de notaris op 29 september 2011, naar de kern genomen, verklaard:
• dat [betrokkene 6] , als zij voor zichzelf zou beginnen, graag haar eerste klant wilde worden;
• dat [betrokkene 11] van haar twee rapportages heeft ontvangen, dat zij beide rapporten heeft gemaakt, ze per post heeft verstuurd alsmede dat zij een nota heeft opgesteld en verzonden;
• dat [medeverdachte 6] Vastgoedontwikkeling in 2000 opdrachtgever is geweest, dat [betrokkene 6] aangever van deze klant is geweest; dat zij regionale studies moest maken die ondersteunend konden zijn bij investeringsbeslissingen, dat de rapportages zijn opgestuurd naar het kantoor van [medeverdachte 6] Vastgoedontwikkeling in WTC te Amsterdam, dat ook de facturen - zij denkt in totaal vijf - daar naartoe zijn gestuurd en dat zij veel werk heeft gehad aan deze opdracht;
• dat de omzet van [LL] BV feitelijk is toe te rekenen aan haar;
• dat [LL] BV haar bedrijf is;
• dat de acquisities die zij deed en de opdrachten die zij kreeg serieus waren alsmede dat er door haar veel werk is verricht.
[betrokkene 6] , als getuige gehoord in de zaak van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 10 maart 2011, verklaart over de contacten met [betrokkene 22] :“U vraagt mij of ik de echtgenote van [verdachte] ken. Ik heb wel eens kennis gemaakt met haar. Zij heeft geen werkzaamheden voor mij gedaan. U toont mij een factuur van [LL] aan [I] (D-1957)
(...) U vraagt wat voor werkzaamheden [verdachte] of [betrokkene 22] hebben gedaan om dit soort facturen te kunnen sturen. Ik weet dat niet.”
De medeverdachte [medeverdachte 6] - ook genoemd door [betrokkene 22] - verklaart, in essentie, dat hij nooit opdracht heeft gegeven de in de facturen beschreven werkzaamheden te verrichten en dat er geen samenwerking tussen [O] en (iemand van) [LL] BV is geweest. De naam [LL] BV zegt hem niets, hij is er nooit geweest, hij kent ‘ze’ niet. De naam [betrokkene 22] kent hij evenmin en de persoon ook niet. Facturen gericht aan [O] ontving hij niet per post, ze werden hem overhandigd in besprekingen met de medeverdachte Vlijmen en [betrokkene 6] . Hij ging af op hun verklaringen. Zij zorgden er ook voor dat hij de facturen kon betalen en zij gaven hem opdracht daartoe.
De medeverdachte [medeverdachte 1] bevestigt dit. Hij verklaart dat de medeverdachte [medeverdachte 6] heeft gewerkt als platform om gelden door te betalen.
De derde persoon die [betrokkene 22] noemt in de door haar ten overstaan van de notaris afgelegde verklaring is de getuige [betrokkene 11] . Deze getuige heeft op 19 december 2013 op de terechtzitting in hoger beroep in de zaak van de verdachte (pag.7), voor zover van belang, het navolgende verklaard, nadat hij is geconfronteerd met de navolgende passage uit zijn verklaring FIOD-verklaring [V63-05, pag. 3] “Eigenlijk was er in het geval van [LL] ook sprake van contra-facturatie, zeker met betrekking tot de tweede post, ad fl. 70.000 op faktuur van 27 december 2000.”:
“Ik blijf bij mijn verklaring. Het contra-facturensysteem was aardig ingeburgerd. (...) Er was waarschijnlijk een bepaald bedrag beschikbaar en dat kon je factureren, maar dan wist je van tevoren wel al dat er vanuit een andere hoek een, zoals ik dat noem, contrafactuur kwam en die ging je betalen uit het bedrag dat bij jou binnenkwam. Zo werkte het systeem. "
Ook heeft hij verklaard (pag. 11/12):
“Als u mij vraagt of ik met [echtgenote verdachte] ooit een zakelijke transactie heb verricht dan zeg ik “nee ". (..) Ik wist dat [LL] het bedrijf van [verdachte] was. Ik wist dat omdat dit soort zaken van tevoren werd overlegd, niet met [verdachte] maar met de "groep "(het hof: [betrokkene 6] en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ).
(...) Als ik het over [LL] heb dan doel ik op [verdachte] . Ik weet dat ik niet specifiek gevraagd heb om deze rapporten. (...) Ik heb het rapport alleen in het dossier gedaan, ik heb het niet gelezen en er niets mee gedaan. (...) ... ik zou niet weten om welke reden ik dat rapport zou hebben gevraagd. Ik heb ook niets met het rapport gedaan. Ik heb het niet eens bestudeerd. "
Ten overstaan van de FIOD heeft de getuige [betrokkene 11] verklaard (V63-03, pag. 6):
"Er staat mij nog steeds bij dat ik iets in mijn vingers heb gekregen. Wat ik al eerder heb gezegd ik ken [verdachte] en hij heeft mij ook iets overhandigd. "
Naar aanleiding van deze drie verklaringen kan worden geconstateerd dat de verklaring van [betrokkene 22] in het geheel geen bevestiging vindt in de verklaringen van [betrokkene 6] en de medeverdachte [medeverdachte 6] . Bij de getuige [betrokkene 11] is er twijfel over de vraag of hij opdracht heeft gegeven tot het opmaken van de rapportages, maar de getuige [betrokkene 11] verklaart duidelijk dat hij niet zou weten waarom hij ‘dat rapport’ zou hebben opgevraagd en dat hij het ongelezen heeft opgeborgen.
Dit voor zover het gaat om door [betrokkene 22] in haar beëdigde verklaring met name genoemde opdrachtgevers.
Er zijn echter meer bedrijven die van [LL] BV facturen hebben ontvangen - in verband met - naar op die facturen staat voor die bedrijven verrichte werkzaamheden, te weten [MM] BV, [medeverdachte 10] en [NN] BV.
De getuige, [getuige 26] heeft op 10 april 2008 ten overstaan van de FIOD (G098-01, pag. 1, 2,3 en 4) verklaard dat hij directeur eigenaar is van [MM] BV, dat hij nooit met iemand van [LL] BV contact heeft gehad, dat de hem bekende [verdachte] iets met [LL] BV te maken had, dat hij geen mevrouw [betrokkene 22] kent, dat hij geen zakelijke contacten met [betrokkene 22] heeft onderhouden, dat hij geen opdracht aan [LL] BV heeft gegeven om werkzaamheden voor [MM] BV te verrichten en dat hij de factuur heeft betaald aan [LL] BV nadat hij geld had ontvangen van, [OO] . Hij kreeg van iemand van [PP] (hof: een bedrijf van de medeverdachte [medeverdachte 1] ) te horen dat er facturen van [LL] zouden worden gestuurd en dat hij die moest betalen. Als hem document D-1915 wordt getoond (hof: een brief d.d. 1 juni 1999 van [betrokkene 22] aan [MM] BV) waarin - voor zover van belang - staat:
‘Geachte [getuige 26] ,
Onder verwijzing naar het op 19 mei jl. met u gevoerde overleg over de door u aan ons bureau te verstrekken opdracht inzake advisering en bemiddelen bevestigen wij u, onder dankzegging voor het door u gestelde vertrouwen, het navolgende.
[LL] zal zich in opdracht en ten behoeve van [MM] B.V. oriënteren op, en op basis van deze oriëntaties adviseren over de mogelijkheden tot verdere uitbouw van uw werkzaamheden in uw werkgebied, ...
Voor het op een adequate wijze uitvoeren van deze opdracht, welke een looptijd heeft van 6 maanden (ingaande 1 mei 1999), zijn wij een vergoeding overeengekomen ... van Hfl. 240.000,- exclusief BTW. Eens per twee maanden zullen wij U een factuur toezenden. Bijgaand treft u de eerste aan. (...)’
antwoordt de getuige [MM] (pag. 4): "Ik heb dit document nooit gezien. ... ik herken dit niet. Als iemand van mij een opdracht krijgt staat er mijn handtekening onder. Een handtekening ontbreekt.
U vertelt mij dat dit een computeruitdraai is. In elk geval is de inhoud niet met mij besproken. ...Dit verhaal (document) ken ik niet. Ik zie het vandaag voor het eerst. Ik heb geen opdracht aan [LL] gegeven om werkzaamheden voor [MM] BV te verrichten. Geen werkzaamheden in het algemeen en geen werkzaamheden zoals genoemd in D-1915 in het bijzonder. (...) "
Het hof is - gelet op wat hiervoor is opgemerkt - van oordeel dat de verklaring van [betrokkene 22] afgelegd ten overstaan van de notaris als volstrekt ongeloofwaardig moet worden gekwalificeerd, nu die verklaring op geen enkele wijze steun vindt in de verklaringen van de personen van wie [betrokkene 22] zegt dat ze voor hen heeft gewerkt. Dit klemt temeer indien daarbij het navolgende wordt betrokken.
Geconstateerd kan worden dat wat [betrokkene 22] in haar beëdigde verklaring naar voren brengt over de reden waarom zij opnieuw tot het opstellen van het verloren gegane rapport is overgegaan, in tijd niet klopt. Uit D-1886, pag. 97/98: de pagina waarop de eigenschappen van het marketingrapport staan vermeld blijkt dat het rapport is gemaakt, gewijzigd en afgedrukt op 18 juli 2005, terwijl de aankondiging van het derdenonderzoek bij [LL] BV van 18 oktober 2005 was (zie bijlage 1 gevoegd bij het proces-verbaal van het nader verhoor van getuige [getuige 27] dat in eerste aanleg op 11 januari 2011 plaatsvond onder andere in de zaak van de verdachte). Het door de verdediging toegezonden deskundigenrapport van FOX IT d.d. 2 september 2014 (ook als bijlage 1 gevoegd bij de pleitnotities) doet aan deze constatering niet af, aangezien op voornoemde pagina ook de datum 2 april 2008 is vermeld, de dag vermeld op de ‘Lijst veiliggestelde data’ (bijlage 7 bij het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming). Dat op die dag dit document is geopend, ligt voor de hand te meer nu uit de ondervraging van de verdachte blijkt dat hem dit document reeds op 3 april 2008 is voorgehouden. De correcte datumvermelding van dat moment, 2 april 2008, brengt mee dat naar het oordeel van het hof van de eerder genoemde data kan worden uitgegaan.
Gelet op de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 6] en de getuige [betrokkene 11] is het hof van oordeel dat de betalingen aan [LL] BV door [O] en [P] BV niet zijn gestoeld op door hen aan [LL] BV opgedragen en door [LL] BV omschreven werkzaamheden, zoals omschreven in de facturen en de brief die in het derde tenlastegelegde feit zijn opgenomen. Dat (er) wellicht rond 2000 rapporten aan de boekhouder van [LL] BV, de getuige De Wit, en de getuige [betrokkene 11] zijn verstrekt doet daar niet aan af. Dit past in het beeld van het creëren van een papieren werkelijkheid, waartoe ook de in de tenlastelegging genoemde facturen en brief van [LL] BV behoren.
Aan de facturen van en betalingen aan [LL] BV lagen - zoals hiervoor is vastgesteld - geen aan [LL] BV opgedragen en door [LL] BV verrichte werkzaamheden ten grondslag.
De vraag die zich vervolgens aandient is wat dan wel de grondslag was om tot betaling over te gaan.
Naar de kern genomen komen de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 6] en de getuige [betrokkene 11] erop neer dat zij al dan niet naar aanleiding van door hen verrichte werkzaamheden over een surplus aan financiële middelen beschikten welk surplus zij in opdracht van de medeverdachte [medeverdachte 1] , de medeverdachte [medeverdachte 2] en [betrokkene 6] doorbetaalden aan [LL] BV.
Dan dient zich de vraag aan waarom er in opdracht van een van voornoemde heren geld naar [LL] BV moest worden overgemaakt. In het kader van deze vraag acht het hof het navolgende van belang.
Uit de verklaringen van de getuigen [betrokkene 11] en [MM] valt op te maken dat zij de verdachte in verbinding brengen met [LL] BV.
De getuige [betrokkene 11] is daarover (ook) in zijn ten overstaan van het hof afgelegde verklaring stellig.
Hij verklaart: “Ik wist dat [LL] het bedrijf van [verdachte] was. (...) Als ik het over [LL] heb dan doel ik op [verdachte] .” (proces-verbaal van de terechtzitting van 19 december 2013, pag. 11 en 12).
De getuige [MM] verklaart ten overstaan van de FIOD (G098-01), pag. 2) als hem de vraag wordt gesteld of hij de onderneming [LL] BV kent: “Via [verdachte] kwam [LL] bij mij terecht. (...) Een jaar later werd mij duidelijk dat de mij bekende [verdachte] iets met [LL] te maken had. Ik weet niet precies wat hij deed. (...) Ik kreeg van iemand bij [PP] te horen dat er facturen van [LL] zouden worden gestuurd en dat ik die moest betalen. ” Voorts verklaart hij, pag. 3 van dat proces-verbaal, dat hij nooit met iemand van [LL] contact heeft gehad. Nadat hem de vraag is gesteld of hij [verdachte] kent en zo ja waarvan “Dit is [verdachte] . Hij heeft bij mij op de lagere school in Amsterdam gezeten. (...), alsmede - nadat hem is gevraagd of hij mevrouw [betrokkene 22] kent - (pag. 4): “Ik ken geen [betrokkene 22] ."
De medeverdachte [medeverdachte 6] kent de verdachte niet, maar [LL] BV evenmin. Hij verklaart ten overstaan van de FIOD op 7 april 2008 nadat hem een factuur van [LL] BV d.d. 17 juli 2000 met factuurnummer 00/8001 gericht aan [O] is getoond: (V65-01, pag. 6):
“Deze factuur zal wel in een bespreking met [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] aan mij gegeven zijn. Deze factuur heb ik niet per post ontvangen. (...) Ik heb nooit opdracht gegeven om de op de factuur beschreven werkzaamheden uit te voeren. (...) ... ik wist niets van de werkzaamheden die aan deze factuur ten grondslag lagen. Ik ging af op de verklaringen en opmerkingen van [medeverdachte 1] en [betrokkene 6] . "
en op 14 april 2008 over de in de tenlastelegging onder feit 3 genoemde brief (V65-02), pag. 4:
“Deze brief heeft allemaal te maken met [medeverdachte 1] . De brief is via één van de drie heren binnengekomen, zelfs gebracht door [betrokkene 6] , [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] . "
De medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart, gehoord als getuige in de zaak van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 juni 2011, (pag. 12) dat hij [LL] BV kent als een vennootschap van de vrouw van de verdachte. Tevens verklaart hij:
(pag. 6) “U vraagt mij hoe het zat met de "bonussen ” die mijn medewerkers ter motivering wel eens kregen en waarover ik gesprekken met hen voerde. Het geld daarvoor kwam uit een potje voor moeilijke betalingen. Een potje zoals gecreëerd bij [medeverdachte 6] ... en [betrokkene 11] . Ik gaf collega 's de ruimte om een extra bonus te declareren door bijvoorbeeld een factuur te sturen naar een van de potjes. Ik voerde een gesprek met de medewerker over zo 'n bonus. U vraagt mij hoe de medewerker die bonus kon incasseren. Ik legde contact met iemand van zo ’n potje en zei dan dat bedrag X in rekening gebracht kon worden en dat daarover afspraken gemaakt konden worden. (...) Ik regelde de grote lijnen en de betrokken persoon kon zelf bepalen hoe de declaratie zou lopen. (...) (pag. 7): De officier van justitie vat mijn verklaring aldus samen dat, als er bonussen waren afgesproken, deze dan via tussenpersonen werden uitbetaald en dat de ontvanger zelf mocht bepalen hoe er betaald zou worden. Dat klopt. Dat is de samenvatting (...) (pag. 9): U vraagt mij hoe de potjes bij [medeverdachte 6] en [betrokkene 11] zijn gevoed. (...) (pag. 10): (...) In het algemeen waren deze gelden afkomstig van Bouwfonds-projecten en van [betrokkene 11] kan ik mij Solaris herinneren. U vraagt mij of degene met wie ik over een bonus sprak, wist waar het geld daarvoor vandaan kwam. Als die persoon een factuur naar [medeverdachte 6] stuurde is dat evident. Of bedoelt u dat de achterliggende partij Bouwfonds was. U zegt mij dat u dat laatste bedoelt. (...) In het algemeen was dat bekend. Men ging er niet van uit dat ik of [medeverdachte 6] uit eigen zak de bonus betaalde. (...) (pag. 12) (..) U, oudste rechter, vraagt mij of ik de bonussen aan [verdachte] uitbetaalde middels facturen. Ja. U vraagt mij of ik dan ook met [verdachte] besprak welke bedragen hij mocht factureren. Ja. U vraagt mij of ik ook besprak bij welke bedrijven hij kon factureren. Ja. (...) U vraagt mij of dat ik tegen [verdachte] heb gezegd dat hij bij [medeverdachte 6] en [betrokkene 11] kon factureren. Ik herinner het mij niet maar als u zegt dat daar facturen naar toe zijn gegaan, dan moet ik dat besproken hebben. (...) (pag. 13) (...) U vraagt mij of ik ooit met [verdachte] heb gesproken over bloemetjesgeld, potjes en moeilijke betalingen. (...) Over de potjes hebben we gesproken. Misschien heb ik er in de gesprekken met [verdachte] andere benamingen voor gehanteerd maar ik heb er met hem over gesproken. (...) Ik heb verklaard dat ik met ... [verdachte] afspraken over betalingen heb gemaakt. "
Het hof acht op grond van voornoemde verklaringen - in samenhang bezien - bewezen dat de verdachte de facturen heeft opgemaakt. Dit in het licht van a) de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] dat er door middel van facturen aan de verdachte bonussen zijn uitbetaald en dat hij ook met de verdachte besprak welke bedragen de verdachte mocht factureren; b) dat er gedeclareerd kon worden bij de potjes van [betrokkene 11] en [medeverdachte 6] en dat de verdachte zelf kon bepalen hoe de declaratie zou lopen; c) de getuigen [betrokkene 11] en [MM] , [LL] BV exclusief in verband brengen met de verdachte; en d) elke grondslag voor betalingen door [O] en [P] BV aan [LL] BV ( [betrokkene 22] ) ontbreekt.
Het hof acht dit feit - met inachtneming van wat hiervoor is overwogen - wettig en overtuigend bewezen. Het hof merkt de verdachte daarbij aan als pleger en niet als feitelijk leidinggever, aangezien uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zelf als pleger de strafbare handelingen heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en hij de rechtspersoon [LL] BV slechts heeft gebruikt als middel om zijn strafbare gedragingen te kunnen plegen.
Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario en de (mede) daaraan ten grondslag liggende verklaring van [betrokkene 22] , dat werkzaamheden van [betrokkene 22] werkelijk hebben plaatsgevonden voor de medeverdachte [medeverdachte 6] (Vastgoed) en de getuige [betrokkene 11] , en dat die werkzaamheden de grondslag hebben gevormd voor de facturen acht het hof in het licht van wat hiervoor is overwogen volstrekt onaannemelijk. Voorts wordt nog overwogen dat irrelevant is dat - zoals door de verdachte naar voren gebracht - hij in privé noch in enige rechtspersoon gelden van [LL] BV heeft ontvangen. Enerzijds omdat dit niet afdoet aan het feit dat er sprake is van valsheid in geschrift en anderzijds omdat, zoals ook de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard, de betrokken persoon - in casu de verdachte - zelf mocht bepalen hoe zou worden uitbetaald. Door te bepalen dat de bonus naar [LL] BV zou gaan beschikte de verdachte over het geld. Evenmin is in het kader van (de beantwoording van) de vraag of er sprake is van valsheid in geschrift van belang van wie het geld afkomstig is. Het antwoord op die vraag doet immers niet af aan de omstandigheid dat wat er in de facturen en de brief staat niet waar is.
Het hof acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.”