Conclusie
middelenhebben beide betrekking op de bewezenverklaring, voor zover deze inhoudt dat het de verdachte is geweest die op de tenlastegelegde datum een diefstal heeft gepleegd na het forceren van het traliewerk voor een raam aan de achterzijde van een bedrijfspand. In het
eerste middelwordt met name gesteld dat het enige rechtstreeks relevante bewijs voor het daderschap van de verdachte in de gebezigde bewijsmiddelen wordt gevormd door de resultaten van dactyloscopisch sporenonderzoek en dat de bewezenverklaring van het hof om die reden onvoldoende is gemotiveerd. Het
tweede middelricht zich in het bijzonder tegen de bewijsoverweging van het hof dat “het niet anders kan dan dat de verdachte de inbraak (…) heeft gepleegd na het forceren van het traliewerk voor een raam van het betreffende pand”. De middelen kunnen gezamenlijk worden besproken.
Bespreking van de gevoerde verweren