AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt afwijzing getuigenverzoek wegens onvoldoende onderbouwing bij mishandeling
De verdachte was door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor mishandeling en stelde cassatie in tegen de afwijzing van zijn verzoek om zijn moeder als getuige te horen. De moeder had verklaard dat de auto waarmee de mishandeling plaatsvond op haar naam stond en alleen door haar, haar man en verdachte werd gebruikt. De verdachte stelde dat ook zijn neefjes de auto gebruikten, wat niet was onderzocht.
De voorzitter van het hof had voorafgaand aan de terechtzitting de oproeping van de moeder bevolen, maar het hof weigerde haar te horen omdat het verzoek onvoldoende was onderbouwd en de verdachte niet in zijn verdediging werd geschaad. De Hoge Raad oordeelt dat de beslissing van de voorzitter slechts ter voorbereiding is en het hof niet bindt. Het hof mag terugkomen op het oordeel van de voorzitter zonder nadere motivering.
De Hoge Raad benadrukt dat het hof het verzoek terecht beoordeelde aan het criterium van het verdedigingsbelang en dat het ontbreken van concrete gegevens over de neefjes en het ontbreken van een onderbouwing door de raadsman het verzoek onvoldoende maakte. De afwijzing is begrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.
Conclusie
Nr. 15/02179
Zitting: 24 mei 2016
Mr. G. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 29 april 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde taakstraf.
Namens de verdachte heeft Mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem, een middel van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
3.1. Het middel klaagt over de afwijzing van een verzoek om een getuige ter terechtzitting te horen. Het middel roept daarbij de vraag op of, en zo ja in hoeverre, het hof de vrijheid heeft om een getuigenverzoek dat eerder door de voorzitter op voet van art. 414 lid 2 joPro. 263 lid 4 Sv is toegewezen, alsnog af te wijzen.
3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 15 april 2015 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat de getuige [getuige] door de raadsman tijdig bij schriftuur is verzocht en dat namens de voorzitter van de strafkamer van het hof het verzoek om de getuige ter zitting te horen op voorhand is toegewezen. Dit is per mailbericht aan de raadsman medegedeeld. Om voor het hof onbegrijpelijke redenen is de getuige door het openbaar ministerie niet opgeroepen.
De raadsman merkt - zakelijk weergegeven - op:
Ik heb gisteren nog geprobeerd met de moeder van verdachte contact op te nemen. Er werd niet opgenomen. Ik persisteer bij het horen van de getuige en verzoek u de zaak daarvoor aan te houden. Het verhoor van de getuige door de politie is nogal sturend gebeurd. Ik wil van haar ook weten hoe het verhoor bij de politie is verlopen. Cliënt heeft verklaard dat de auto ook door zijn neefjes werd gebruikt.
De advocaat-generaal voert het woord - zakelijk weergegeven - als volgt:
Ik zie thans nog een andere reden om de getuige te horen. Zij heeft verklaard dat ze ook een andere auto hebben gehad. Beschikten zij ook over een personenauto van het merk Fiat, type Punto? Mogelijk was de Seat Leon op de in de tenlastelegging genoemde datum niet meer in het bezit van de familie [van verdachte].
De voorzitter schorst het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.
Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek van de raadsman tot het horen van de moeder van verdachte als getuige wordt afgewezen. Het hof is van oordeel dat de politie geen sturing aan het telefonisch afgenomen verhoor heeft gegeven, maar de getuige in de laatste vraag (pag. 21 van het politieproces-verbaal) een samenvatting heeft voorgehouden van de eerder in dat verhoor door de getuige gegeven antwoorden op open en niet sturend gestelde vragen. Van eventuele andere gebruikers van de bij de tenlastegelegde gebeurtenis betrokken personenauto, dan verdachte, zijn vader en zijn moeder, blijkt niet uit het dossier, zodat het verdedigingsbelang om de getuige [getuige] te horen onvoldoende is onderbouwd. De enkele ter zitting van het hof gedane mededeling van de raadsman dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat de auto ook door zijn neefjes werd gebruikt is daarvoor niet voldoende. Verdachte is niet in het verdedigingsbelang geschaad bij afwijzing van het verzoek tot het horen van zijn moeder [getuige] als getuige.
Uit het proces-verbaal van bevindingen (pagina 8 van het politieproces-verbaal) blijkt dat de tenaamgestelde van de personenauto met het kenteken [AA-00-BB] van 23 oktober 2012 tot 25 april 2013 [getuige] is geweest en dat op 25 april 2013 de tenaamstelling is overgeschreven. De getuige [getuige] heeft verklaard dat de auto werd gebruikt door haar, haar man en haar zoon, verdachte. Het bij het incident betrokken voertuig met dit kenteken was ten tijde van het tenlastegelegde feit in het bezit van en in gebruik bij, de familie [van verdachte]. Het hof ziet, gelet op het vorenstaande, geen noodzaak om de getuige te horen. Het ter zitting gedane verzoek van de advocaat-generaal wordt daarom afgewezen.”
3.3. Art. 263 lid 4 SvPro is ingevoerd bij Wet van 10 november 2004, Stb. 2004, 579 en luidt als volgt:
“De voorzitter der rechtbank kan de officier van justitie bevelen getuigen en deskundigen ter terechtzitting te doen oproepen. De opgave geschiedt schriftelijk, onder vermelding van de namen, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of, bij onbekendheid van een of ander, een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de getuige of deskundige.”
3.4. Uit de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de zojuist vermelde wet, blijkt dat de bevoegdheid van art. 263 lid 4 SvPro is gegeven om een efficiënte behandeling van de zaak te bevorderen. Gesteld wordt dat de rechters “thans” slechts kunnen afwachten welke getuigen al dan niet op verzoek van de verdachte door de officier van justitie zullen worden opgeroepen. “Indien de rechtbank zelf het horen van niet opgeroepen getuigen of deskundigen noodzakelijk acht kan zij eerst ter terechtzitting, op grond van artikel 315 SvPro, de oproeping van getuigen en deskundigen bevelen. Dat leidt tot schorsingen van het onderzoek ter terechtzitting, en een nodeloos verlies aan zittingscapaciteit”. [1] Dezelfde ratio ligt ten grondslag aan de bevoegdheden die het eveneens door de Wet van 10 november 2004 ingevoerde art. 258 lid 6 SvPro (thans art. 258 lid 2 SvPro) aan de voorzitter toekende. Bij al deze bevoegdheden tekende de Memorie van toelichting aan “dat de omstandigheid dat de onderhavige bevoegdheden aan de voorzitter van de rechtbank worden toebedeeld, er vanzelfsprekend niet aan in de weg staat dat deze omtrent de toepassing daarvan overlegt met de andere rechters die de strafzaak zullen berechten”. [2]
3.5. Uit de Memorie van toelichting blijkt voorts dat voor de term ‘bevelen’ is gekozen omdat die term “in de verhouding tussen rechter en officier van justitie meer passend” is. Dat wil echter niet zeggen dat de officier van justitie aan het bevel gebonden is. Hij kan weigeren de bij het bevel opgegeven getuige te doen oproepen. [3] Over de “status” van de voorzittersbeslissing wordt in aansluiting daarop het volgende gesteld:
“In verband daarmee stelt de NVvR ook de vraag of het bevel van de voorzitter moet worden beschouwd als een beschikking (artikel 138 SvPro) dan wel als vooruitlopen op een ter terechtzitting nog te nemen beslissing van de (meervoudige kamer van de) rechtbank. Het laatste is het geval. De onderhavige bevelen van de voorzitter kunnen het beste worden beschouwd als beslissingen sui generis, die buiten de terechtzitting om worden genomen, en in die zin verwantschap vertonen met beschikkingen, doch inhoudelijk slechts tot voorbereiding van de terechtzitting strekken, daar materieel ook kunnen worden gecorrigeerd, en derhalve moeilijk los van die terechtzitting kunnen worden gezien. Materieel zou een en ander van belang kunnen zijn vanwege rechtsgevolgen die aan de kwalificatie van deze beslissing als beschikking verbonden zouden kunnen zijn. Dergelijke rechtsgevolgen lijken er evenwel niet te zijn. Artikel 446 SvPro, dat het openbaar ministerie het recht van hoger beroep tegen sommige beschikkingen geeft, is sowieso niet van toepassing: de beslissing is van de voorzitter, en wordt niet genomen naar aanleiding van een vordering van de officier van justitie. Aangetekend zij nog dat ook de appointeringsbeslissing van de voorzitter (artikel 258, zesde lid, Sv) een beslissing sui generis is waartegen geen rechtsmiddel open staat.” [4]
3.6. In de Nota naar aanleiding van het verslag kwam de status van de voorzittersbeslissing opnieuw aan de orde:
“De leden van de SP-fractie wilden weten waarom geen rechtsmiddel open staat tegen de beslissingen van de voorzitter. Graag wijs ik deze leden erop dat de voorzitter niet «beslist» op verzoeken om het horen van getuigen; dat doet de rechtbank. Ter terechtzitting mag de verdachte ten aanzien van elke getuige waarvan hij dat gewenst acht; opgeven dat hij deze wil doen oproepen. De rechtbank beslist op deze verzoeken; het criterium dat gehanteerd wordt is daarbij afhankelijk van de vraag of deze getuige eerder tijdig aan de officier van justitie is opgegeven. Is dat het geval, dan geldt het criterium van het verdedigingsbelang, is dat niet het geval dan geldt het noodzaakcriterium. Dat aan de voorzitter geen bevoegdheid is gegeven om te «beslissen» op verzoeken van de verdachte of diens raadsman, impliceert dat rechtsmiddelen tegen «beslissingen» van de voorzitter, of daaraan te stellen termijnen in het geheel niet aan de orde zijn. Voor de verdediging betekent een en ander dat aan bestaande rechten en mogelijkheden om voorafgaand aan en aan het begin van de terechtzitting te verzoeken om het oproepen van getuigen niet wordt getornd. Er komt alleen een mogelijkheid bij: de verdediging kan voorafgaand aan de terechtzitting de voorzitter op een getuige attenderen, en deze kan daarin aanleiding vinden om van zijn bevoegdheid gebruik te maken. Daarmee illustreert dit onderdeel van het wetsvoorstel dat niet elk voorstel dat mede op verbetering van de efficiency gericht is, en vermindering van het aantal aanhoudingen, noodzakelijkerwijs een verkorting van verdedigingsrechten ten gevolge heeft.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vroegen zich af wat er gebeurt als op de zittingsdag nog een discussie loopt tussen de voorzitter van de rechtbank en de officier van justitie over het oproepen van getuigen of het ter beschikking stellen van documenten. Van een «lopende discussie» kan in een dergelijk geval minder goed worden gesproken. De voorzitter beveelt de oproeping van een getuige, de officier van justitie geeft daaraan voor de terechtzitting gevolg of niet. Geeft hij daaraan geen gevolg, dan beveelt de rechtbank ingevolge artikel 287, derde lid, Sv, gewijzigd als voorgesteld, alsnog de oproeping, tenzij de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel is dat de belangen vermeld in artikel 288, eerste lid, Sv zich daartegen verzetten. Bij het voegen van documenten geldt iets vergelijkbaars, met dien verstande dat de rechtbank in dat geval ambtshalve de overlegging van bescheiden kan bevelen (artikel 315 SvPro). Uit deze schets van de gang van zaken is duidelijk dat en waarom in deze geen termijnen zijn gesteld: zodra de terechtzitting aanvangt is de beslissing automatisch aan de strafkamer.” [5]
3.7. Uit deze wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat van een formele binding van het rechterlijk college aan de beslissing ‘sui generis’ van de voorzitter geen sprake is. De belangrijkste reden daarvoor is gelegen in de rechten van de procespartijen. Als de voorzitter niet overgaat tot het bevelen van de oproeping van een getuige waarop hij door de verdediging is “geattendeerd”, mag dat niet in het nadeel van de verdachte uitpakken. Aan zijn op de artt. 263 jo. 287 en 288 Sv gebaseerd recht op een beslissing van het voltallige college na daarover ter zitting te zijn gehoord, zou tekort worden gedaan als dat college op enigerlei wijze gebonden zou zijn aan het oordeel van de voorzitter. Iets soortgelijks geldt met betrekking tot de officier van justitie. Ook hij heeft, als hij van mening is dat een bepaalde getuige niet dient te worden opgeroepen, recht op een oordeel van het voltallige college na een openbaar debat op de terechtzitting. Aan dat recht wordt getornd als de officier van justitie niet het recht zou hebben om te weigeren het bevel van de voorzitter uit te voeren.
3.8. De voorzitter is niet de baas van het college. De beide andere leden zijn dus vrij om zich een afwijkend oordeel te vormen. In die vrije positie zou een waarborg kunnen worden gezien voor de hiervoor bedoelde rechten van de partijen. Die waarborg moet denk ik daarnaast en misschien wel vooral gezocht worden in de rechterlijke onpartijdigheid. Want niet zelden zal de voorzitter vooraf over zijn beslissing met de andere leden van het college hebben overlegd en niet zelden zal over die beslissing consensus hebben bestaan. Desondanks vragen de rechten van de procespartijen om een vrije opstelling ter terechtzitting. Dat geldt ook voor de voorzitter. Hij mag zich ook zelf niet gebonden achten aan zijn eerder gegeven oordeel.
3.9. Nu is het bijzondere van de onderhavige zaak, dat de rechten van de partijen niet in het geding zijn. De voorzitter besliste overeenkomstig het verzoek van de verdachte, terwijl van een weigering van het Openbaar Ministerie om aan het gegeven bevel te voldoen, geen sprake lijkt te zijn geweest. De oproeping bleef achterwege om “voor het hof onbegrijpelijke redenen”. Met dat laatste zal het hof hebben bedoeld dat het niet weet om welke reden oproeping achterwege is gebleven. Aannemelijk is dat die reden er niet was, en dat dus geen sprake was van een weigering om aan het bevel te voldoen, maar van een verzuim daaraan gevolg te geven. In elk geval stelde de advocaat-generaal zich ter terechtzitting op het standpunt dat het verzoek van de verdediging alsnog diende te worden gehonoreerd. Dat maakt dat een afwijzing van iedere vorm van gebondenheid aan de voorzittersbeslissing in de onderhavige zaak niet op het recht van het Openbaar Ministerie op een niet vooringenomen beoordeling kan worden gebaseerd.
3.10. Een vraag in dit verband is, of de interne verhoudingen binnen het rechterlijk college een zelfstandige reden kunnen vormen om iedere vorm van gebondenheid aan de voorzittersbeslissing af te wijzen. Zijn de overige leden vrij om de voorzitter te overrulen omdat hij nu eenmaal niet de baas is? Ik merk op dat de voorzittersbeslissing in veel gevallen een voldongen feit vormt dat door de andere leden van het college niet kan worden genegeerd. Als de getuige van wie de voorzitter de oproeping heeft bevolen, wordt opgeroepen en ter terechtzitting verschijnt, zal hij in de regel moeten worden gehoord (art. 287 lid 2 SvPro), ook als de beide andere leden van het college het niet met de voorzittersbeslissing eens zijn. Als de overeenkomstig het bevel van de voorzitter opgeroepen getuige niet verschijnt, kan het bevel van de voorzitter niet worden teruggedraaid, hoe graag de meerderheid van het college dat misschien zou willen. De getuige moet dan opnieuw worden opgeroepen (art. 287 lid 2 SvPro), behoudens het bepaalde in art. 288 SvPro. De wet behandelt de voorzittersbeslissing (of althans het gevolg dat daaraan is gegeven) dus als een feitelijk gegeven waaraan het rechterlijk college ‘vast’ zit. De vraag kan dan ook gesteld worden of de voorzittersbeslissing in een geval als het onderhavige niet ook een feitelijk gegeven vormt dat door het rechterlijk college in zijn besluitvorming moet worden verdisconteerd.
3.11. Ter nadere bepaling van deze gedachte wijs ik op HR 4 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC8959, NJ 1992, 529 m.nt. Sch. In de zaak waarop dit arrest betrekking heeft, had het hof het horen van de niet-verschenen getuige (wiens bij de politie afgelegde verklaring door de verdediging werd betwist) “noodzakelijk” geoordeeld. Toen de getuige op de nadere zitting wederom niet verscheen, werd met toestemming van zowel de procureur-generaal als de verdediging van een nieuwe oproeping afgezien. Het hof gebruikte vervolgens de verklaring die de getuige tegenover de politie had afgelegd voor het bewijs. De Hoge Raad casseerde omdat het, nu het hof het noodzakelijk had geoordeeld dat de getuige zou worden gehoord, nadere verklaring behoefde waarom het hof diens verklaring voor het bewijs had gebruikt zonder de getuige inderdaad te hebben gehoord. Het is niet zo dat een hof gebonden is aan een tussenarrest dat het eerder in de zaak wees. Het hof kan en mag van gedachten veranderen, zoals geïllustreerd wordt door de regel dat op een herhaald verzoek dat eerder is afgewezen, opnieuw moet worden beslist, ook als aan het herhaalde verzoek geen nieuwe argumenten ten grondslag zijn gelegd. In het arrest kan naar mijn mening dan ook niet gelezen worden dat een hof niet mag terugkomen op zijn eerder gegeven oordeel dat het horen van de getuige noodzakelijk is. Het arrest laat wel zien dat een hof dat terugkomt op een dergelijk oordeel, iets heeft uit te leggen. Wat daarbij vooral uitleg behoeft, is waarom niet alles op alles is gezet om de getuige daadwerkelijk ter zitting te doen horen.
3.12. Nu zijn er wel verschillen tussen de onderhavige zaak en de zaak waarop het arrest van de Hoge Raad betrekking had. Ik noem er twee. Het eerste verschil is dat het eerder gegeven oordeel niet door het (hele) college is gegeven, maar enkel door de voorzitter. De verklaring voor het afwijkende oordeel kan dus, ondanks alle overleg dat mogelijk heeft plaatsgevonden, eenvoudig gelegen zijn in het feit dat de overige twee leden een andere mening zijn toegedaan dan de voorzitter. Dat is dan wel een wat ongemakkelijke verklaring, omdat zij vanwege het geheim van de raadkamer niet naar buiten kan worden gebracht. Daaruit zou de conclusie getrokken kunnen worden dat niet geëist kan worden dat een afwijking van de voorzittersbeslissing wordt gemotiveerd. Maar misschien kan ook de andere kant op worden geredeneerd. Juist omdat het college naar buiten toe de eenheid moet bewaren, zit er niet veel anders op dan voort te gaan op de door de voorzitter ingeslagen weg. Diens beslissing vormt zo een voldongen feit dat niet van tafel geveegd kan worden.
3.13. Het tweede verschil is dat de voorzitter niet heeft geoordeeld dat het horen van de getuige “noodzakelijk” was. In dit verband verdient aandacht dat art. 263 lid 4 SvPro de beslissing van de voorzitter niet aan enig criterium bindt, dus ook niet aan het noodzaak-criterium van art. 315 SvPro. Dat betekent in elk geval dat de voorzitter ook de oproeping van de getuige kan bevelen als hij die oproeping niet zelf noodzakelijk vindt, maar wel meent dat het met betrekking tot die getuige gedane verzoek van de verdediging gehonoreerd moet worden. Ook het criterium van het verdedigingsbelang kan dus door de voorzitter aan zijn bevel ten grondslag worden gelegd. Maar, en dat is naar ik meen een belangrijk punt, nu de wet geen criterium bevat, kan ook een stap verder worden gegaan. De wet biedt de voorzitter de ruimte om royaler met de wensen van de verdediging om te gaan dan waartoe de criteria van art. 288 SvPro nopen. Het is soms efficiënter om een verzoek ten aanzien waarvan betwijfeld kan worden of het verdedigingsbelang om honorering vraagt, toe te wijzen dan om het te laten aankomen op een beslissing over het verzoek ter terechtzitting. Dat is in het bijzonder het geval als het gaat om een getuige waarvan verwacht mag worden dat hij zal verschijnen. Het kost dan dikwijls minder tijd en energie om die getuige ter zitting te horen dan, vanwege al het gesteggel dat daarmee gepaard gaat, het verzoek ter terechtzitting te behandelen. Niet uit het oog mag kortom worden verloren dat de processuele context waarin de voorzitter beslist een andere is dan die waarin het college beslist. De toewijzing van een getuigenverzoek op de terechtzitting brengt mee dat de verdere behandeling van de zaak moet worden aangehouden en gaat dus per definitie ten koste van de schaarse zittingscapaciteit. Dat verklaart de kruideniersmentaliteit waarmee de rechter op de zitting getuigenverzoeken tegemoet pleegt te treden. Het op voorhand honoreren van de wensen van de verdediging door de voorzitter leidt niet, althans niet noodzakelijkerwijs, tot aanhouding van de zaak en kan die aanhouding zelfs voorkomen (want de uitkomst van het debat op de terechtzitting kan zijn dat het verzoek alsnog wordt toegewezen). Het aantrekkelijke van de mogelijkheid die art. 263 lid 4 SvPro biedt, is dat de verdediging gemakkelijker het volle pond kan worden gegeven.
3.14. Op grond van het voorgaande kan verdedigd worden dat het verschil in procedurele context een afwijkende beoordeling rechtvaardigt. Als de op bevel van de voorzitter opgeroepen getuige onverhoopt niet ter terechtzitting verschijnt, doet zich een nieuwe situatie voor. In die nieuwe situatie is de vraag wel of de behandeling van de zaak moet worden aangehouden. Daarvoor moet een goede reden zijn. Het belang van een efficiënte benutting van de zittingscapaciteit vraagt anders gezegd om een nauwgezette toetsing aan de criteria van art. 288 SvPro. De royaliteit van de voorzitter dient in deze redenering dus plaats te maken voor de kruideniersmentaliteit van de zittingsrechter. Voor enige vorm van binding aan de voorzittersbeslissing is daarom geen plaats.
3.15. Nu zal deze redenering, waarin zwaar geleund wordt op het belang van een voortvarende strafrechtspleging en een efficiënte benutting van de zittingscapaciteit, niet iedereen aanspreken. Misschien zou het inderdaad verkieslijker zijn als de zittingsrechter bij het honoreren van de wensen van de verdediging even royaal te werk kan gaan als de voorzitter. Maar de vraag is of dat ideaal bereikt wordt door de zittingscombinatie gebonden te achten aan het bevel dat de voorzitter op voorhand gaf. Het effect van die binding zal vrees ik zijn dat de voorzitter zich minder royaal opstelt en door dezelfde kruideniersmentaliteit bevangen wordt als waardoor de zittingscombinatie zich laat leiden. Het resultaat kan bezien vanuit het verdedigingsbelang dus wel eens averechts zijn.
3.16. Ik meen, alles afwegende, dat er onvoldoende reden is om de zittingscombinatie in een geval waarin een op bevel van de voorzitter opgeroepen getuige niet is komen opdagen, op enigerlei wijze gebonden te achten aan het door de voorzitter gegeven bevel. Dat betekent dat een nadere motivering – dat wil zeggen een motivering die verder gaat dan wat op grond van art. 288 SvPro mag worden verlangd – niet vereist is als de zittingscombinatie beslist dat een hernieuwde oproeping van de getuige achterwege kan blijven. De afwijking van de beslissing van de voorzitter behoeft met andere woorden niet als zodanig te worden gemotiveerd. Dat sluit overigens niet uit dat de beslissing van de voorzitter een factor vormt bij de beoordeling van begrijpelijkheid van de gegeven beslissing, net zoals het standpunt van de verdediging of het Openbaar Ministerie dat kan zijn.
3.17. De vraag die rest, is of dit anders ligt in een geval als het onderhavige, waarin het Openbaar Ministerie heeft verzuimd om aan het bevel van de voorzitter te voldoen. Ook in dat geval geldt dat sprake is van een nieuwe situatie, die een oordeel dat afwijkt van dat van de voorzitter kan rechtvaardigen. Een verschil daarbij is wel dat die nieuwe situatie door de laksheid van het Openbaar Ministerie is veroorzaakt. Ik kan mij voorstellen dat er dan gevallen zijn waarin de rechtbank of het hof het horen van de getuige vooral nodig oordeelt om het Openbaar Ministerie duidelijk te maken dat het de bevelen van de voorzitter niet zonder reden naast zich neer kan leggen. Daarmee is echter niet een belang gemoeid dat de verdachte in de desbetreffende strafzaak aan gaat. Mijn slotsom is derhalve dat de beslissing van het rechterlijk college om niet de oproeping van de getuige te bevelen, ook in een geval waarin door nalatigheid van het Openbaar Ministerie geen gevolg aan het eerdere bevel van de voorzitter is gegeven, in cassatie slechts getoetst kan worden aan de hand van de gebruikelijke criteria. Als de verdachte tijdig op voet van art. 263 omPro het horen van de getuige heeft verzocht en dat verzoek op de zitting heeft herhaald, zijn dat de criteria van art. 288 SvPro. In andere gevallen is dat het noodzaak-criterium van art. 315 SvPro.
3.18. Ik keer terug naar het middel. In de onderhavige zaak heeft het hof het bij appelschriftuur gedane en ter terechtzitting herhaalde verzoek om de moeder van de verdachte als getuige te horen, beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang. Daarover wordt terecht niet geklaagd. De vraag die beantwoording behoeft, is derhalve of de afwijzende beslissing van het hof gelet op dat criterium begrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Met het oog daarop het volgende.
3.19. De mishandeling die de verdachte in de tenlastelegging wordt verweten, betreft agressie in het verkeer. De aangever werd op 19 april 2013 door de dader, die in een Seat Leon reed met het kenteken [CC-00-DD], tot stoppen gedwongen. De dader stapte daarna uit zijn auto, rukte het linkervoorportier van de auto van de aangever open en stompte de aangever in zijn gezicht. Onderzoek wees uit dat de genoemde auto tot 25 april 2013 en dus op 19 april 2013 op naam had gestaan van de moeder van de verdachte. Die moeder verklaarde tegenover de politie dat de desbetreffende auto alleen door haarzelf, haar echtgenoot en haar zoon (de verdachte) werd gebruikt. Van die drie personen beantwoordde alleen de verdachte aan het door een getuige van de mishandeling opgegeven signalement (tussen de 29 en 39 jaar oud, fors postuur, maar niet dik, kort geschoren, donker haar).
3.20. Het middel klaagt als ik het goed begrijp niet over het oordeel van het hof dat de politie geen sturing heeft gegeven aan het verhoor van verdachtes moeder. Het middel klaagt wel over het oordeel van het hof dat nergens uit het dossier van eventuele andere gebruikers van de auto blijkt. Die afwijzingsgrond zou onbegrijpelijk zijn omdat aldus vooruitgelopen wordt op hetgeen de moeder als getuige zou kunnen verklaren. Uit het dossier kon van geen andere gebruikers blijken omdat de moeder nooit gevraagd was of de neefjes waarover de verdachte sprak, van de auto gebruikmaakten.
3.21. Ik meen dat het zwaartepunt van ’s hofs argumentatie ligt bij diens oordeel dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd nu het enkel steunde op de verklaring van de verdachte dat de auto ook door zijn neefjes werd gebruikt. Aandacht daarbij verdient dat het, anders dan het hof stelt, niet zo is dat de verdachte dit tegen zijn raadsman verklaarde, althans dat het niet zo is dat de verdachte dit alleen tegen zijn raadsman verklaarde. Dat is ook niet wat de raadsman ter zitting stelde. Een blik achter de papieren muur leert dat de verdachte bij zijn verhoor door de politie aanvankelijk verklaarde dat “iedereen” van de auto gebruikmaakte. “Mijn vader, mijn neefjes”. Toen de politie hem voorhield dat zijn moeder had verklaard dat “alleen jij, jou vader en zij zelf” de auto gebruikte, antwoordde de verdachte: “Ja dat klopt. Alleen meestal gebruikt mijn vader de auto of mijn moeder. Ik heel af en toe”. [6] Het heeft er dus veel van weg dat de verdachte al bij de politie terugkwam op zijn verklaring dat ook de neefjes van de auto gebruik maakten.
3.22. Mede gelet daarop is het oordeel van het hof dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd, niet onbegrijpelijk. Van de raadsman mocht verwacht worden dat hij uiteenzette hoe de verklaring van de verdachte over zijn neefjes zich verhield tot zijn latere verklaring dat het klopte wat zijn moeder zei. Zonder die uiteenzetting rustte het verzoek op drijfzand. Daar komt bij dat volstrekt onduidelijk bleef wie die neefjes waren die de verdachte bedoelde. Personalia van die neefjes gaf de raadsman niet op. Evenmin voerde de raadsman aan dat ook de bedoelde neefjes beantwoordden aan het door de getuige opgegeven signalement van de dader. Het verzoek miste dus niet alleen onderbouwing, maar ook concretisering.
3.23. Anders dan de steller van het middel lijkt te willen betogen, doet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof niet af dat de voorzitter van het hof het verzoek op voorhand had toegewezen en evenmin dat de procureur-generaal het horen van de getuige om een andere reden wenselijk oordeelde.
3.24. Het middel faalt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
2.Idem, p. 7.
3.Idem, p. 7.
4.Idem, p. 7/8.
6.Zie p. 24 van het door de politie aangeleverde dossier.