ECLI:NL:PHR:2016:61

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 januari 2016
Publicatiedatum
19 februari 2016
Zaaknummer
15/02823
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 224 lid 1 RvArt. 353 lid 2 RvArt. 414 RvArt. 426 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenarrest over zekerheidstelling proceskosten

Sypesteyn Holding B.V. stelde cassatieberoep in tegen een tussenarrest van het hof Amsterdam waarin zij werd verplicht een zekerheidstelling van €2.500 te geven voor de proceskosten in hoger beroep. Dit tussenarrest volgde op een incidentverzoek van de curator mr. Dekker in faillissementsprocedures van SCPD Holding B.V. en Crescendo Investment Group III B.V., waarin Sypesteyn, SCPD en Crescendo verzet hadden aangetekend tegen hun faillietverklaring.

De rechtbank Amsterdam wees het verzet af en verwierp het verzoek tot zekerheidstelling, waarna het hof in hoger beroep het incidentverzoek tot zekerheidstelling toewijst en Sypesteyn een bankgarantie laat stellen. Sypesteyn verzoekt tussentijds cassatieberoep tegen dit tussenarrest, maar het hof wijst dit verzoek af. Vervolgens stelt Sypesteyn formeel cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep tegen het tussenarrest niet-ontvankelijk is op grond van artikel 426 lid 4 Rv Pro in verbinding met artikel 401a Rv en eerdere jurisprudentie. Het cassatieberoep is daarmee niet ontvankelijk verklaard. De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad luidt tot niet-ontvankelijkheid van Sypesteyn in haar cassatieverzoek.

Uitkomst: Sypesteyn Holding B.V. is niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep tegen het tussenarrest over zekerheidstelling proceskosten.

Conclusie

15/02823
Mr. L. Timmerman
Zitting: 8 januari 2016
Conclusie inzake:
Sypesteyn Holding B.V. (hierna: Sypesteyn),
verzoekster tot cassatie
tegen
Pieter Rudolf Dekker, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Rondenborch Residential B.V. (hierna: mr. Dekker),
Verweerder in cassatie
1. Feiten en procesverloop
1.1 SCPD Holding B.V. (hierna: SCPD) en Crescendo Investment Group III B.V. (hierna: Crescendo) zijn op 10 maart 2015 door de rechtbank Amsterdam in staat van faillissement verklaard (nrs. C/13/15/109-F en C/13/15/107-F). De faillissementen zijn uitgesproken op verzoek van mr. Dekker, de curator van Rondenborch Residential B.V. In beide faillissementen heeft de rechtbank mr. L.G.J.M. van Ekert, rechter in de rechtbank Oost-Brabant, benoemd tot rechter-commissaris. Als curator van SCPD en van Crescendo is aangesteld mr. Ph.W. Schreurs.
1.2 Sypesteyn, SCPD en Crescendo zijn bij de rechtbank in verzet gekomen tegen de faillietverklaring van SCPD en van Crescendo. Mr. Dekker heeft daarop onder meer een incidenteel verzoek ingediend tot zekerheidstelling voor de proceskosten (ex art. 224 Rv Pro).
1.3 De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 8 april 2015 het verzet van Sypesteyn, SCPD en Crescendo ongegrond verklaard. Het incidentele verzoek tot zekerheidstelling is afgewezen op de grond dat Sypesteyn haar statutaire zetel in Amsterdam heeft en zij dus woonplaats heeft in Nederland (zie rov. 6.6 van het vonnis van 8 april 2015).
1.4 Tegen het vonnis van 8 april 2015 is door Sypesteyn, SCPD en Crescendo hoger beroep ingesteld bij het hof Amsterdam. Mr. Dekker heeft ook in hoger beroep een incidenteel verzoek ingediend tot zekerheidsstelling voor proceskosten door Sypesteyn (ex art. 224 jo Pro. art. 353 Rv Pro). Daarnaast heeft mr. Dekker incidenteel appel ingesteld. Met dit incidentele appel richtte mr. Dekker zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat tot een veroordeling in de proceskosten.
1.5 Het hof Amsterdam heeft bij arrest in het incident van 16 juni 2015, samengevat, (i) bevolen dat Sypesteyn aan mr. Dekker zekerheid stelt voor een bedrag van € 2.500,- ter zake van de proceskosten waartoe Sypesteyn in de procedure in hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden; (ii) bepaald dat Sypesteyn deze zekerheid dient te stellen in de vorm van een door een Nederlandse bank af te geven bankgarantie; en (iii) bepaald dat de zekerheid uiterlijk gesteld moet zijn op 22 juni 2015 te 17.00 uur, dit op straffe van niet-ontvankelijkheid van Sypesteyn in de hoofdzaak. Het hof heeft de beslissing in het incident uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
1.6 Sypesteyn heeft bij brief van 19 juni 2015 aan het hof verzocht om tussentijds cassatieberoep open te stellen van het arrest van 16 juni 2015 in het incident tot zekerheidstelling. Het hof heeft dit verzoek op 22 juni 2015 afgewezen.
1.7 Sypesteyn heeft bij verzoekschrift, ingekomen bij de griffie van de Hoge Raad op 22 juni 2015, cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest van 16 juni 2015 in het incident tot zekerheidstelling. Voor haar ontvankelijkheid in cassatie beroept Sypesteyn zich onder meer op de zogenaamde ‘doorbrekingsjurisprudentie’ (zie onder nrs. 10 t/m 13 van het cassatieverzoek).
1.8 Evenals in eerste aanleg en in hoger beroep, heeft mr. Dekker in deze cassatieprocedure een incidenteel verzoek ingediend tot zekerheidstelling voor de proceskosten (ex art. 224 jo Pro. art. 414 Rv Pro) (dit bij verzoekschrift van 10 juli 2015). Met het incidentele verzoek verlangt mr. Dekker dat aan Sypesteyn wordt bevolen om zekerheid te stellen, en wel op straffe van niet-ontvankelijkheid van Sypesteyn in het door haar ingestelde cassatieberoep. Sypesteyn heeft zich bij verweerschrift van 24 juli 2015 tegen het incidentele verzoek verweerd. De Hoge Raad heeft bij arrest van 6 november 2015 het incidentele verzoek tot veroordeling van Sypesteyn om zekerheid te stellen voor de proceskosten van het geding in cassatie afgewezen.
1.9 Na het op 22 juni 2015 ingediende verzoekschrift tot cassatie heeft Mr. Dekker op 20 november 2015 een verweerschrift (met primair een beroep op niet-ontvankelijkheid) ingediend. Op 4 december 2015 diende Mr. Dekker nog een dupliek in.

2.Beoordeling van het cassatieverzoek

2.1
Het arrest van 16 juni 2015 is een tussenarrest. Tegen dit arrest richt het cassatieverzoekschrift van Sypesteyn zich. Sypesteyn is niet-ontvankelijk in haar cassatieverzoek. Ik verwijs naar art. 426, lid 4 Rv in verbinding met art. 401a Rv en HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:1978:AC6256. Dat behoeft verder geen toelichting.

3.Conclusie

Ik concludeer tot niet ontvankelijkheid van Sypesteyn in haar cassatieverzoek.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad
der Nederlanden
A-G