Conclusie
[verzoekster],
Onderdeel 1, eerste deelricht zich tegen rov. 4 en 5, waarin het hof oordeelt dat met betrekking tot de belastingschulden in de vorm van teruggevorderde kinderopvangtoeslag van ruim € 35.000,- geen sprake is van goede trouw bij [verzoekster]. Dit deel van onderdeel 1 somt de omstandigheden uit rov. 3 op en klaagt dat het hof gelet daarop in redelijkheid niet tot zijn oordeel heeft kunnen komen, omdat [verzoekster] een lager dan gemiddeld IQ heeft. Daartoe wordt verwezen naar de conclusie van A-G Spier, ECLI:NL:PHR:2006:AY8310, onder 3.6.1 en 3.6.2 voor HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8310. Volgens de klacht is bij [verzoekster] vanwege haar minder dan gemiddelde IQ evenzeer sprake van een situatie van een “gebrek in zijn/haar bouwstenen die irreparabel” is, zodat de toets van art. 288 lid 1 sub b Fw Pro niet onverkort kan worden toegepast bij [verzoekster].
Onderdeel 1, tweede deelvoert aan dat de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw Pro juist bedoeld is voor gevallen als die van [verzoekster], terwijl uit het zittingsp-v volgens de klacht zou volgen dat er wel sprake is van een beheersbaarheidsverklaring bedoeld in rov. 6.
Onderdeel 2bouwt op het tweede deel van onderdeel 1 voort met de klacht tegen afwijzing van het beroep op de hardheidsclausule in rov. 6, waarvoor ook geldt dat dit al strandt op het gegeven dat hier sprake is van een discretionaire bevoegdheid en de afwijzing van toepassing daarvan door het hof afdoende is gemotiveerd.