Conclusie
2.Beoordeling van het cassatieverzoek
eerste klachtzijn voorwaardelijk ingesteld, namelijk indien en voor zover Sypesteyn in zijn cassatieberoep tegen het tussenarrest van 16 juni 2015 niet-ontvankelijk wordt verklaard. In die zaak kom ik tot de conclusie dat Sypesteyn niet ontvankelijk verklaard dient te worden. Daarom dient de eerste klacht behandeld te worden. De kern van de eerste klacht (zie vooral onder e) komt erop neer dat het hof in rov. 2.5 van het tussenarrest van 16 juni 2015 ten onrechte heeft beslist dat Sypesteyn geen woonplaats heeft in Nederland als bedoeld in art. 224 lid 1 Rv Pro en daarom ten onrechte heeft geoordeeld dat Sypesteyn niet ontvankelijk is in haar hoger beroep. Ik meen dat deze klacht dient te slagen, omdat Sypesteyn wel woonplaats heeft in Nederland. Ik verwijs naar het al genoemde arrest van de Hoge Raad van 6 november 2015. De overige onderdelen van de klacht behoeven geen bespreking, omdat die betrekking hebben op de bevoegdheid van het hof om in het onderhavige geval een zekerheidsstelling door Sypesteyn te bevelen en die bevoegdheid is er mijns inziens in het onderhavige geval niet. Overigens heeft Sypesteyn geen belang bij het slagen van haar eerste klacht omdat de advocaat van Sypesteyn bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij mede namens Sypesteyn sprak [2] . Daarom heeft Sypesteyn voluit de mogelijkheid gehad zich uit te laten over de kern van deze zaak: Zijn SCDP en Crescendo al dan niet terecht failliet verklaard? In de repliek merkt Sypesteyn op dat zij wel belang heeft bij het terzijde stellen van haar niet-ontvankelijkverklaring, omdat zij in de proceskosten is veroordeeld. Dit betoog gaat mijns inziens niet op omdat Sypesteyn in haar cassatieverzoek geen bezwaar maakt tegen de proceskostenveroordeling door het hof als zodanig (wel tegen het bevel tot zekerheidsstelling voor die veroordeling). Zij heeft kennelijk het dispuut over de proceskostenveroordeling in haar verzoekschrift tot cassatie laten varen. Daarop kan men niet bij repliek terugkomen.
de tweede klachtkomt erop neer dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van het verzoek tot faillietverklaring kennis te nemen (zie a). De klacht faalt. Het hof heeft in rov. 3.2 van zijn eindarrest terecht overwogen dat vaststaat dat de statutaire zetel van SCPD en Crescendo in Amsterdam is gelegen en dat art. 2, lid 1 Fw dan meebrengt dat de rechtbank Amsterdam de bevoegde rechter is om over het faillissement te oordelen. Op het betoog van de tweede klacht over de Insolventieverordening ga ik verder niet in, omdat het hof terecht heeft overwogen dat toepassing van die Verordening tot dezelfde uitkomst leidt als toepassing van art. 2, lid 1 Fw. Dat oordeel van het hof is helder en goed gemotiveerd. Het cassatiemiddel doet daaraan niet af. Dat behoeft verder geen toelichting. Ik merk nog op dat het mij onwenselijk voorkomt dat de rechter van Dubai over een mogelijk faillissement van SCPD en Crescendo zou moeten oordelen. Voor zover ik begrijp, hebben de betrokken vennootschappen Nederlandse schuldeisers. In hun “gezonde” periode lag het centrum van voornaamste belangen van de beide vennootschappen duidelijk in Nederland. Het zou niet te verdedigen zijn dat, omdat [betrokkene 2] zich aan de gevolgen van het eigen faillissement in Dubai onttrekt, over de faillissementen van een aantal Nederlandse vennootschappen die nooit iets met de rechtssfeer van Dubai te maken hebben gemaakt door de Dubaise rechter beslist wordt.
vierde klachtricht zich tegen rov. 3.6. Deze overweging heeft het hof ten overvloede (Onverminderd het voorafgaande) gegeven. Daarom hebben Sypesteyn c.s geen belang bij deze klacht. Ik laat deze onbesproken.