ECLI:NL:PHR:2016:624

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 mei 2016
Publicatiedatum
12 juli 2016
Zaaknummer
15/04755
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling poging moord met voorbedachte rade

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 15 juli 2015 veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord met voorbedachte rade. Verdachte had het slachtoffer met een mes in de buik gestoken na een ruzie in een café, waarbij hij het slachtoffer had opgezocht en het mes openklapte vlak voor het steken.

Verdachte stelde in cassatie dat het bewijs voor voorbedachte rade faalde, omdat hij het mes pas openklapte toen het slachtoffer al voor hem stond, wat volgens hem wijst op een impulsieve daad. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof terecht had vastgesteld dat verdachte ruim voldoende tijd had om zich te beraden, gezien het tijdsverloop en zijn gedrag voorafgaand aan het steekincident.

De verklaringen van getuigen en camerabeelden ondersteunden het oordeel dat verdachte met een plan op het slachtoffer had gewacht en het mes met enige moeite openklapte alvorens toe te steken. De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijkheid in het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep. De straf van acht jaar gevangenisstraf bleef daarmee in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot acht jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord met voorbedachte rade.

Conclusie

Nr. 15/04755
Mr. Machielse
Zitting 17 mei 2016
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 15 juli 2015 voor: poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven.
2. Verdachte heeft cassatie doen instellen. Mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel komt op tegen het bewijs van de voorbedachte raad. De gebezigde bewijsmiddelen houden in dat verdachte het mes eerst tevoorschijn heeft gehaald en onhandig opengeklapt toen [slachtoffer] en [betrokkene 1] uit het café kwamen. Dat is volgens de steller van het middel een contra-indicatie tegen de voorbedachte raad. Als verdachte van plan zou zijn geweest om te gaan steken had het voor de hand gelegen dat hij het mes opengeklapt gereed had gehouden. Volgens de steller van het middel heeft het er alle schijn van dat verdachte het idee om het mes te gebruiken eerst heeft opgevat toen [slachtoffer] al voor zijn neus stond.
3.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat
“hij op 29 januari 2014 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met dat mes in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
3.3. Over de voorbedachte raad heeft het Hof in zijn arrest het volgende overwogen:
"
Voorbedachten rade
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat, indien het hof wettig en overtuigend bewezen verklaard, dat verdachte het opzet heeft gehad om [slachtoffer] te doden, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachten rade moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het hof het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
Bij de beoordeling van de vraag of te dezen sprake is geweest van handelen met voorbedachten rade door de verdachte stelt het hof voorop dat hij - inherent aan zijn ontkenning dat hij [slachtoffer] heeft gestoken met een mes - het hof geen informatie heeft verschaft over hetgeen bij hem vóór en tijdens het plegen van het delict is omgegaan, bijvoorbeeld omtrent planvorming en besluitvorming. Of in dit geval voorbedachten rade bewezen kan worden verklaard, hangt af van de vraag of de hiervoor bedoelde gelegenheid tot beraad heeft bestaan en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat verdachte, vanwege een ruzie met het slachtoffer in café [A] , uit het café is gezet. Ruim een kwartier daarna heeft verdachte zich samen met getuige [betrokkene 2] opgesteld op de Grote Staat op korte afstand van de ingang met de Leliestraat, de straat waar café [A] is gelegen.
Vervolgens, gedurende een tijdspanne van zes minuten, is verdachte diverse keren naar de ingang van de Leliestraat gelopen en heeft hij nadrukkelijk de Leliestraat in gekeken. Toen [slachtoffer] vervolgens uit café [A] naar de Grote Staat kwam gelopen, is verdachte naar hem toe gelopen, heeft hij zijn mes, met enige moeite, uitgeklapt en heeft hij [slachtoffer] , niettegenstaande de protesten van [betrokkene 1] , met kracht in zijn buik gestoken.
Het hof leidt hieruit af dat de verdachte niet alleen met een vooropgezet plan op [slachtoffer] heeft staan wachten, maar dat hij tevens voldoende de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en dat hij zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven. Mede gelet op het tijdsverloop dat is verstreken tussen het moment dat de verdachte uit het café is gezet, respectievelijk om de hoek van de Leliestraat heeft staan wachten en de latere confrontatie met [slachtoffer] heeft hij voldoende tijd gehad om zich te beraden. Het hof gaat ervan uit dat dit nadenken en beraden ook daadwerkelijk is gebeurd. Aan het onderzoek ter terechtzitting kan het hof geen feiten of omstandigheden ontlenen die daarvoor een contra-indicatie zouden zijn. De door de raadsman aangevoerde omstandigheden, die hij als contra-indicaties aanmerkt, maken dat niet anders. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte - onder de gegeven omstandigheden - voorts niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of naar aanleiding van een plots opkomende drift.
Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte aldus met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft trachten te beroven.
De door de verdediging aangevoerde omstandigheden dat verdachte gedurende enige tijd nadat hij uit café [A] is gezet niet in de directe nabijheid van het café is geweest, dat toen hij opgesteld stond op de Grote Staat in de buurt van de Leliestraat, niet de hele tijd zicht heeft gehad op de ingang van café [A] en mitsdien het slachtoffer ook via de andere uitgang (de Platielstraat) de Leliestraat had kunnen verlaten, doen aan het oordeel van het hof ten aanzien van het vastgestelde planmatig handelen van verdachte niet af.
Conclusie
Het hof acht derhalve de primair ten laste gelegde poging tot moord bewezen en verwerpt de verweren van de verdediging."
3.4. Ter terechtzitting van 1 juli 2015 heeft de verdachte ontkend te hebben gestoken. Hij is aangevallen door [slachtoffer] en heeft geprobeerd zich te verdedigen, maar hij was niet in het bezit van een mes.
3.5. Bewijsmiddel 1 bevalt een verklaring van [slachtoffer] , inhoudende dat hij meteen toen hij het etablissement verliet verdachte met een uitgeklapt mes op hem toe zag komen. Verdachte maakte een steekbeweging in de richting van zijn, [slachtoffers] , buik. Verdachte had eerder de vriendin van [slachtoffer] , [betrokkene 1] , in het café lastiggevallen. Bewijsmiddel 4 bevalt de verklaring van [betrokkene 1] , die bevestigt dat verdachte haar in het café lastig viel. Verdachte moest daarop de zaak verlaten. Vervolgens verklaart zij:
“Ik zag dat de jongen met zijn rechterhand uit zijn broekzak een mes pakte. Ik zag dat dit mes zilverkleurig was, met een rond goudkleurig knopje om het mes mee uit te klappen. Ik schat dat dit mes ongeveer 10 centimeter lang was in ingeklapte stand en ongeveer 20 centimeter in uitgeklapte stand.
Ik zag dat de jongen het mes in eerste instantie niet geopend kreeg. Ik riep nog dat de jongen normaal moest en dat hij moest stoppen en tegen [slachtoffer] riep ik dat hij weg moest gaan.
Ik zag dat de jongen zich naar [slachtoffer] keerde. Hierdoor keerde de jongen zijn rug naar mij toe. Op dat moment zag ik dat de jongen al het mes had uitgeklapt.”
Zij rende naar de uitsmijters en hoorde toen [slachtoffer] roepen dat hij was gestoken. In haar verklaring bij de rechter-commissaris heeft zij deze verklaring bevestigd (bewijsmiddel 5). In bewijsmiddel 7 geeft de voorzitter als waarneming van het hof met betrekking tot de vertoonde beelden het volgende weer:
“De voorzitter deelt mede dat in de periode 5.45.00-5.51.01 op de camera VH50 Grote Staat, hoek Dominicanerkerkstraat-Leliestraat zichtbaar is dat verdachte en [betrokkene 2] samen voor een winkel staan op de Grote Staat te Maastricht, op korte afstand van de ingang van de Leliestraat. In deze tijdspanne loopt verdachte meerdere keren naar de ingang van de Leliestraat en kijkt dan nadrukkelijk de Leliestraat in.”
3.6. In zijn overwegingen heeft het hof naar mijn oordeel er niet van blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over voorbedachte raad te zijn uitgegaan. [1] De volgende vraag is of de conclusie waartoe het hof is gekomen begrijpelijk is.
Verdachte is het café [A] uitgezet. Hij heeft zich nadien in de buurt opgehouden en heeft minstens gedurende 6 minuten de uitgang van dit café aan de Leliestraat in de gaten gehouden. Als dan [slachtoffer] en zijn vriendin het café verlaten gaat verdachte op hen af, opent zijn mes en steekt [slachtoffer] in de buik. Verdachte heeft ontkend dat hij gestoken heeft. In de verklaringen die verdachte heeft afgelegd is daarom geen enkel aanknopingspunt te vinden voor enigerlei contra-indicatie, bijv. dat hij door woorden van het slachtoffer hevig geëmotioneerd raakte, dat hij het slachtoffer enkel heeft opgewacht om hem te bedreigen, maar, door plotseling opkomende woede overmand, heeft gestoken. Het hof heeft de gang van zaken aldus gereconstrueerd dat verdachte het slachtoffer heeft opgewacht en toen het slachtoffer het café verliet naar het slachtoffer is toegegaan en hem met een mes in de buik heeft gestoken. Het hof is er vanuit gegaan dat het opwachten van het slachtoffer en het steken met het mes in de buik van het slachtoffer voortvloeiden uit het tevoren opgevatte besluit. Deze conclusie is, in aanmerking genomen hetgeen verdachte zelf over de gang van zaken heeft verklaard, niet onbegrijpelijk. [2] In het feit dat het verdachte enige moeite kostte het mes open te klappen kan ik, in tegenstelling tot de steller van het middel, geen contra-indicatie tegen voorbedachte raad zien. [betrokkene 1] heeft, toen zij zag dat verdachte het mes pakte en het trachtte te openen, nog geroepen dat hij normaal moest doen en dat hij moest stoppen. Verdachte heeft aan die oproep geen gehoor gegeven, integendeel. Ondanks het feit dat het hem enige moeite kostte om het mes te openen heeft hij niet afgezien van zijn besluit om met het mes te steken. Dat verdachte niet al op voorhand het mes heeft uitgeklapt in afwachting van de confrontatie met degene met wie hij eerder die avond ruzie had gehad zie ik niet als een contra-indicatie. Het kenmerkende van een mes zoals verdachte dat kennelijk heeft gehanteerd is juist dat je een ander ermee kunt verrassen en dat het minder opvalt als je het gesloten in je hand hebt dan wanneer je het al hebt opengeklapt.
Het middel faalt.
4. Het middel faalt.
5. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.HR 27 oktober 2015, NJ 2016, 112 m.nt. Rozemond; HR 1 december 2015, NJ 2016, 113, m.nt. Rozemond.
2.Vgl. HR 13 januari 2015, ECLI:2015:48.