Conclusie
passing-onverweer).
passing-onverweer hebben gevoerd.
passing on-verweer), heeft de rechtbank als volgt verworpen:
passing-onverweer een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. TenneT c.s. hebben zich tegen die incidentele vordering verweerd. Nadat partijen in het incident hadden gepleit, heeft het hof bij tussenarrest van 10 september 2013 de incidentele vordering van ABB c.s. toegewezen, na daartoe als volgt te hebben overwogen:
2.Inleiding
passing-on defenceof het
passing-onverweer [6] , samenhangen. Het is veelal in het kader van de privaatrechtelijke handhaving van de mededingingsregels dat een dergelijk verweer aan de orde komt. Ook de onderhavige zaak vindt haar grond in een inbreuk op de mededingingsregels, en wel die van de Europese Unie (hierna: EU).
Manfredidiende het Hof van Jusititie van de Europese Gemeentschappen, inmiddels het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna, behoudens in conrete vindplaatsen: HvJ) te oordelen over een onderlinge uitwisseling van informatie door verzekeringsmaatschappijen waardoor de premies voor (verplichte) aansprakelijkheidsverzekeringen kunstmatig hoog werden gehouden. Het HvJ oordeelde dat een dergelijke praktijk art. 81 EG Pro (thans art. 101 VWEU Pro) zou kunnen schenden, indien het, gelet op de kenmerken van de betrokken nationale markt, voldoende waarschijnlijk is dat de betrokken mededingingsregeling of onderling afgestemde feitelijke gedraging de verkoop van dergelijke verzekeringspolissen in de betrokken lidstaat door marktdeelnemers uit andere lidstaten kan beïnvloeden. Op het moment dat zich een dergelijke situatie voordoet, kan een ieder de nietigheid van de verboden mededingingsbeperkende rechtshandeling inroepen en, bij gebleken causaliteit tussen die mededingsbeperkende rechtshandeling of gedraging en de geleden schade, vergoeding van die schade vorderen [9] . Bij gebreke van een Unierechtelijke regeling ter zake, is het volgens het HvJ een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels voor dergelijke vorderingen vast te stellen, met dien verstande dat die regels niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel). Over de te betalen schadevergoeding overwoog het HvJ:
Manfredinog ruimte liet voor toepassing van nationale regels met betrekking tot punitieve schadevergoeding, verzet de Richtlijn zich uitdrukkelijk tegen iedere vorm van overcompensatie, ongeacht of het punitieve schadevergoeding, meervoudige schadevergoeding of andere vormen van schadevergoeding betreft (art. 3 lid Pro 3). De Richtlijn stipuleert volledige vergoeding van de schade (art. 3 lid Pro 1); niet minder, maar dus ook niet méér [12] . Met de Richtlijn is afstand genomen van de opvatting dat private handhaving van het mededingingsrecht mede ertoe zou strekken inbreukplegers te straffen en potentiële inbreukplegers af te schrikken [13] :
een iederde door hem als gevolg van een mededingingsinbreuk geleden schade op de inbreukpleger moet kunnen verhalen, is van belang dat de schade zich niet altijd tot de directe afnemer beperkt. De directe afnemer aan wie als gevolg van een mededingsinbreuk (bijvoorbeeld een horizontale prijsafspraak) een te hoge prijs in rekening is gebracht, zal veelal op zijn beurt die te hoge prijs, geheel of ten dele, aan zijn eigen afnemers (de indirecte afnemers) doorberekenen en aldus (een deel van) de meerkosten als gevolg van de mededingingsinbreuk (in de stukken wordt in dit verband ook wel van de prijsopslag gesproken) naar zijn eigen afnemers (de indirecte afnemers) verleggen. Niet steeds zal (volledige) doorberekening mogelijk zijn. De concurrentieverhoudingen en de marktomstandigheden op de markt waarop de volgende ketenpartner actief is, zijn in hoge mate bepalend voor het antwoord op de vraag of en in hoeverre een dergelijke doorberekening mogelijk is. Wanneer alle aanbieders op de betrokken markt door de mededingingsinbreuk worden geraakt, zal een volledige doorberekening van de kartelschade mogelijk zijn. Als slechts enkele aanbieders door de inbreuk zijn geraakt en die aanbieders op een markt met volkomen concurrentie opereren, zal (een volledige) doorberekening niet mogelijk zijn, omdat zij zich met te hoge prijzen uit de markt zouden concurreren [14] . Of en in hoeverre doorberekening mogelijk is, kan bovendien niet los worden gezien van het als gevolg van de mededingingsinbreuk ontstane volume-effect: bij stijgende prijzen daalt (afhankelijk van de mate van de zogenaamde prijselasticiteit van het betrokken product) de vraag. Naast de hypothetisch concurrerende prijs (die prijs die in rekening zou zijn gebracht zonder mededingingsinbreuk) is daarom ook de hypothetisch concurrererende hoeveelheid (de hoeveelheid die zou zijn afgenomen bij een concurrererende prijs) van belang [15] .
“niet aangaat”. Voorts wijst hij erop dat de Hoge Raad zich van gelijke termen bediende in zijn arrest van 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR0220, NJ 2007/481 m.nt. J. Hijma, waarin, zij het in een geheel andere context, eveneens een vorm van doorberekening aan de orde was:
“niet aangaat”, impliceert, wat daarvan overigens zij, géén uitsluiting van het doorberekeningsverweer in zaken waarin vergoeding van doorberekende (kartel)schade wordt gevorderd.
“ voor zover dit redelijk is”.
“van die schade”) dat TenneT c.s. (eventueel) aan hun afnemers hebben doorberekend, naast (eventueel) gederfde winst en rente. Weliswaar zouden de bewoordingen van de eerste volzin van rov. 3.32 ook op een toepassing van art. 6:100 BW Pro kunnen wijzen, waar het hof heeft overwogen dat
“de aanspraak van TenneT c.s.”(op schadevergoeding)
“in redelijkheid”wordt gevormd door de prijsopslag minus het deel van
“die schade”die TenneT c.s. aan hun afnemers hebben doorberekend, naast gederfde winst en rente. De woorden
“ in redelijkheid”zouden kunnen verwijzen naar de redelijkheidstoets van art. 6:100 BW Pro, terwijl het hof, strikt genomen, de gehele prijsopslag als
“schade”van TenneT c.s. lijkt te kwalificeren. Dat het hof daadwerkelijk zou hebben bedoeld toepassing te geven aan art. 6:100 BW Pro acht ik echter zeer onaannemelijk. Uit niets blijkt dat het hof heeft onderzocht of hier sprake was van een voordeel dat aan dezelfde gebeurtenis als de schade is ontsproten (welk onderzoek voor de hand had gelegen, nu TenneT c.s. een dergelijk verband in hoger beroep hebben ontkend). Evenmin blijkt van een onderzoek of en zo ja, in hoeverre, het redelijk is de doorberekening bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking te nemen.
passing-onverweer met de vaststelling van de schade in verband [25] :
passing on-verweer.”
passing on-verweer primair worden gezien als een schadeverweer. De aangesproken partij - de onderneming die een inbreuk heeft gemaakt op het mededingingsrecht - verweert zich jegens de benadeelde partij met de stelling dat deze geen (of minder) schade heeft geleden omdat de benadeelde de nadelige effecten van de mededingingsinbreuk heeft afgewenteld op zijn afnemer. Dit verweer blijft met de Richtlijn gewoon mogelijk en het Nederlandse recht behoeft op dit punt geen aanpassing.”
passing on-verweer - zo erkent ook de Nederlandse regering in reactie op het Witboek betreffende schadevergoedingsacties wegens Schending van de Communautaire Mededingingsregels - wordt dan ook toegelaten binnen het Nederlandse systeem.”
passing on-verweer doet daar volgens de hiervoor genoemde rechtspraak van het Hof van Justitie geenszins afbreuk aan.”
overchargeper eenheid product, maal het aantal afgenomen eenheden in de relevante periode, en minus het aandeel in de schade dat bij doorverkoop is afgewenteld op de klanten. Als de afnemer alles heeft doorberekend in zijn prijzen, dan (…) (lijdt) hij in beginsel zelf geen schade.”
“in beginsel”verklaart.
passing-onverweer dient te worden beschouwd als een beroep op voordeelstoerekening (art. 6:100 BW Pro). Volgens hem ligt het minder voor de hand het verweer als een ‘direct’ verweer over de omvang van de schade te zien, omdat de doorberekening los zou staan van de schade die uit het teveel betaalde bestaat [36] . Overigens meent Van der Wiel, alle argumenten vóór en tegen verrekening van het voordeel afwegende, dat het als een beroep op voordeelstoerekening gekwalificeerde doorberekeningsverweer tegen de prijsverhogingsvordering nauwelijks perspectieven biedt [37] :
passing onverweer door de Unie lijkt in Nederland de invoering van een bijzondere wetsbepaling noodzakelijk te maken. Geen van de Nederlandse bepalingen kan namelijk als een deugdelijke grondslag voor de aanvaarding van de doorberekening van prijsverhogingen worden aangemerkt.
passing-onverweer direct de vaststelling van de schade betreft en dat dit verweer niet op de voet van art. 6:100 BW Pro moet worden beoordeeld.
“nauwe”,
“natuurlijke”en
“logische (…) economische samenhang”tussen de aan een bedrijf in rekening gebrachte kosten en de gehele of gedeeltelijke doorberekening daarvan geweld aandoen door het gegeven van een gehele of gedeeltelijke doorberekening niet direct bij de schadevaststelling te betrekken. De economische wetmatigheid van gehele of gedeeltelijke doorberekening van de aan een bedrijf opgekomen (meer)kosten is beslissend voor de beantwoording van de vraag of en in hoeverre dergelijke kosten “beklijven” en schade voor het betrokken bedrijf vormen. Het
passing-onverweer zou daarom naar mijn mening niet op de voet van art. 6:100 BW Pro (en evenmin naar analogie daarvan) moeten worden beoordeeld.
“een zelfde gebeurtenis”voortvloeien (zowel het een als het ander kan men betwijfelen, omdat een rationeel handelend bedrijf zijn kosten
steedszoveel mogelijk zal doorberekenen en niet slechts indien die kosten als gevolg van een mededingingsinbreuk te hoog zijn), dan zal het verweer volgens de literatuur, onder meer in verband met de verwijtbaarheid van de mededingingsinbreuk, doorgaans schipbreuk lijden op de klippen van de redelijkheidstoets. In dat licht doen de betogen ten faveure van een toetsing van het verweer aan art. 6:100 BW Pro wel denken aan het gezang waarmee de nimf op de Loreley schepen op de rotsen trachtte te lokken.
“dat de vergoeding voor feitelijk verlies op elk niveau van de toeleveringsketen niet meer bedraagt dan de schade die de meerkosten in dat stadium heeft(lees: hebben)
berokkend”(art. 12 lid Pro 2). Daarmee laat zich onmogelijk verenigen dat het welslagen van het doorberekeningsverweer afhankelijk wordt gesteld van nationale opvattingen van het causale verband tussen doorberekening en mededingingsinbreuk en van de identiteit van de gebeurtenis waaruit de schade en het “voordeel” van de doorberekening voortspruiten, en evenmin dat aan de nationale rechter wordt overgelaten te beslissen of en in hoeverre doorberekening redelijk is.
Devenish Nutrition/Sanofi-Aventis [42] :
ramenwelk deel van de meerkosten werd doorberekend [45] , en verstrekt de Commissie op grond van art. 16 de Pro nationale rechterlijke instanties richtsnoeren over de wijze waarop moet worden ingeschat welk deel van de meerkosten aan de indirecte afnemer is doorberekend. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof de complicaties bij het beoordelen van het doorberekeningsverweer heeft onderschat. Anders dan TenneT c.s. wel suggereren, heeft het hof de vaststelling van de door TenneT c.s. geleden schade geenszins voorgesteld als een kwestie van simpel “plussen en minnen” .
“een zelfde gebeurtenis”) die van een door de rechter uit te voeren redelijkheidstoets. Dat, zoals TenneT c.s. hebben aangevoerd [46] , het Duitse
Bundesgerichtshofhet verweer beoordeelt
“nach den Grundsätzen der Vorteilsausgleichung”acht ik, in het bijzonder met het oog op de aanvaarding van het doorberekeningsverweer in het Europese mededingingsrecht, van minder belang dan de vraag welke beperkingen voor de honorering van dat verweer uit het leerstuk van
Vorteilsausgleichungvoortvloeien. ABB c.s. hebben uit de bedoelde uitspraak afgeleid dat het doorberekeningsverweer onder Duits recht in het algemeen (categorisch) is toegelaten. Zo zou bij
Vorteilsausgleichunggeen redelijkheidstoets gelden en zou een
adäquater Kausalzusammenhangtussen de meerprijs enerzijds en de aan de indirecte afnemers in rekening gebrachte prijs volstaan [47] .
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Griffioen/De Groot), ECLI:NL:HR:2013:BX9830, NJ 2013/48. Het subonderdeel klaagt dat het in het arrest
Griffioen/De Grootging om de vaststelling van de initiële schade, de schade die in rechtstreeks causaal verband staat met de schadeveroorzakende gebeurtenis. In dat kader heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de omstandigheden van het geval aanleiding kunnen vormen gebeurtenissen van later datum - die relevant zijn voor de omvang van de initiële schade - bij de vermogensvergelijking te betrekken. In het voorliggende geval gaat het volgens het subonderdeel echter om voordelen van later datum die niet relevant zijn voor de vaststelling van de initiële schade, maar voor de omvang van de schadevergoeding of de te vergoeden netto schade. Of dergelijke voordelen al dan niet bij de vermogensvergelijking kunnen worden betrokken, dient te worden beantwoord aan de hand van art. 6:100 BW Pro, althans met toepassing van alle relevante omstandigheden van het geval.
Griffioen/De Grootslechts betekenis zou hebben voor de vaststelling van de initiële schade, dat wil zeggen de schade die in rechtstreeks verband staat met de schadeveroorzakende gebeurtenis, kan ik de klacht niet volgen. Ook het hof heeft de gehele of gedeeltelijke doorberekening immers betrokken bij de vaststelling van de schade die naar zijn oordeel in rechtstreeks causaal verband staat met de schadeveroorzakende gebeurtenis. Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat in de onderhavige zaak niet de vaststelling van de omvang van de schade, maar slechts de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding in verband met de toerekening van (later opgekomen) voordelen aan de orde is, bouwt het subonderdeel op de subonderdelen 1a en 1b voort en moet het in het lot daarvan delen.
Griffioen/De Grootaanvaarde uitgangspunten
nietaansluiten bij die van de door het hof bedoelde rechtspraak van het HvJ, acht ik het subonderdeel eveneens ongegrond. Anders dan het subonderdeel verdedigt, heeft de bedoelde rechtspraak van het HvJ wel degelijk betrekking op de vaststelling van de schade en niet op de vaststelling van de schadevergoeding. In de door het hof in de slotalinea van rov. 3.26 genoemde arresten heeft het HvJ onder meer als volgt overwogen [48] :
Griffioen/De Grootwordt gesproken van
“omstandigheden die zich na het lijden van de schade voordoen”. Men kan zich afvragen of dat laatste aan de orde is. In een zaak als de onderhavige is immers minst genomen voor discussie vatbaar wanneer de schade wordt geleden, nu van schade eerst sprake is op het moment dat in rekening gebracht meerkosten niet geheel of gedeeltelijk blijken te (kunnen) worden doorberekend en in zoverre “beklijven”. Wat van dit laatste ook zij, ik meen dat het bestreden oordeel van het hof juist is, ook als dit niet door het arrest
Griffioen/De Grootwordt ondersteund [49] .
Ireks-Arkadyen
DGV e.a. [50] , waarnaar het hof in rov. 3.26 heeft verwezen, zijn volgens het subonderdeel voor de onderhavige zaak niet relevant, daar zij betrekking hebben op de buitencontractuele aansprakelijkheid van instellingen van de Unie, in welke gevallen het recht op schadevergoeding wordt bepaald door
“de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben”(art. 340 VWEU Pro). In zaken als de onderhavige, waarin de buitencontractuele aansprakelijkheid van (rechts)personen voor schending van Europees recht aan de orde is, is het recht op schadevergoeding aan het nationale recht van de lidstaten overgelaten.
Courage/Crehan [51] en
Manfredi [52] het Unierecht de nationale rechter niet belet erop toe te zien dat de bescherming van de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde arresten niet op een ongerechtvaardigde verrijking uitloopt (rov. 3.26, op één na laatste alinea). Daarvan staat naar mijn mening los dat het hof in de laatste alinea van rov. 3.26 tevens heeft gewezen op de door het subonderdeel bedoelde “interne” Europese aansprakelijkheidsrechtspraak volgens welke bij berekening van schade als gevolg van schending van het Unierecht rekening
moetworden gehouden met een eventuele verdiscontering van de schade in de verkoopprijzen van de klagende onderneming.
toegelatendoor de jurisprudentie van het HvJ en bovendien
aansluitbij de wijze waarop het HvJ in door het “eigen” aansprakelijkheidsrecht van de EU beheerste zaken met doorberekening van schade in de verkoopprijzen van de benadeelde partij pleegt om te gaan (en wel aldus dat die doorberekening bij de vaststelling van de schade
moetworden betrokken). Het hof kon en mocht dat laatste relevant achten voor de naar nationaal recht te bepalen betekenis van het doorberekeningsverweer, temeer nu het “ eigen” aansprakelijkheidsrecht van de EU is gebaseerd op de
“de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben”; art. 340 VWEU Pro).
“zeker te stellen dat over de uitleg van ’s hofs arrest tussen partijen geen misverstand kan ontstaan.”
passing-onverweer) bedoelt. De rov. 4.26-4.29 van het eindvonnis van de rechtbank betreffen, kort gezegd, de verwijzing naar de schadestaatprocedure en de aannemelijkheid van schade als gevolg van een door ABB c.s. toegepaste prijsopslag.