ECLI:NL:PHR:2016:730

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2016
Publicatiedatum
21 juli 2016
Zaaknummer
15/01469
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 SrArt. 225 SrArt. 235 SrArt. 69.2 AWRArt. 69.6 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bijkomende straf ontzetting beroep belastingadviseur wegens legaliteitsbeginsel

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en het onjuist doen van belastingaangiften, met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van belastingadviseur voor vijf jaar.

De Hoge Raad overweegt dat de bijkomende straf van ontzetting uit het beroep is gebaseerd op art. 235 lid 1 Sr Pro, dat sinds 1 april 2010 de mogelijkheid tot oplegging van deze straf introduceert. Omdat de bewezenverklaarde feiten uit 2001 dateren, is deze wetswijziging niet van toepassing vanwege het legaliteitsbeginsel (art. 1 Sr Pro).

Het eerste cassatiemiddel slaagt dan ook, en de Hoge Raad vernietigt de bijkomende straf. Het tweede middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, maar dit leidt niet tot vernietiging van het vonnis. De rest van het vonnis blijft in stand.

Uitkomst: De bijkomende straf van ontzetting uit het beroep wordt vernietigd, overige veroordelingen blijven gehandhaafd.

Conclusie

Nr. 15/01469
Zitting: 7 juni 2016
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 27 mei 2014 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “1. medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd”, “2. medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd” en “3. medeplegen van valsheid in geschrift”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren, met ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van belastingadviseur c.q. belastingconsulent voor de duur van vijf jaren.
Namens de verdachte heeft mr. J.S. Nan, advocaat te ’s-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.Het eerste middel

3.1.
Het middel klaagt dat het hof in strijd met art. 1 Sr Pro de bijkomende straf van art. 235 lid 1 Sr Pro aan de verdachte heeft opgelegd, te weten: ontzetting uit de uitoefening van het beroep waarin het misdrijf is begaan.
3.2.
Art. 235 Sr Pro bepaalt sinds 1 april 2010 [1] in lid 1 dat bij een veroordeling wegens (onder meer) een in art. 225 Sr Pro omschreven misdrijf (valsheid in geschrift), de bijkomende straf van ontzetting uit de uitoefening van het beroep waarin dit misdrijf is begaan kan worden opgelegd. Voordien voorzag de wet niet in de mogelijk om bij een veroordeling als deze een dergelijke bijkomende straf op te leggen.
3.3.
De ten laste van de verdachte onder 3 bewezenverklaarde valsheid in geschrift, het feit dus in verband waarmee aan de verdachte de uitoefening van het beroep van belastingadviseur c.q. belastingconsulent voor de duur van vijf jaren is ontzet, is gepleegd in het jaar 2001.
Het middel klaagt terecht dat art. 235 lid 1 Sr Pro sedert 1 april 2010 een verandering van sanctierecht inhoudt die minder gunstig is voor de verdachte, en daarom niet door het hof op het anterieure feit had mogen worden toegepast. Het middel slaagt. Naar ik meen - en vanuit een oogpunt van doelmatigheid geraden is - kan de Hoge Raad de door het hof gemaakte fout herstellen door de bijkomende straf te schrappen.

4.Het tweede middel

4.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2.
Het cassatieberoep is ingesteld op 10 juni 2014. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 18 maart 2015 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Gelet echter op de aard van de opgelegde straf, kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de aan de verdachte opgelegde ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van belastingadviseur c.q. belastingconsulent voor de duur van vijf jaren, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie Stb. 2010,139 voor de inwerkingtredingsdatum van onder meer deze gewijzigde bepaling in het Wetboek van Strafrecht.