Conclusie
- i) Eiseres in cassatie sub 1 (hierna: [verzoekster 1] of de gefailleerde) is op 10 maart 1987 failliet verklaard. Het faillissement is op 17 september 2011 geëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. Er heeft een 100% uitkering aan de geverifieerde schuldeisers plaatsgevonden. Omdat na afwikkeling van het faillissement een bedrag van € 1.599.049,49 in de boedel resteerde, heeft de rechtbank Rotterdam op 20 juni 2012 de voormalige curator, mr. R.J. van Galen, tot vereffenaar van [verzoekster 1] benoemd. Op grond van artikel 2:23a lid 4 BW heeft de vereffenaar de rechtbank Rotterdam verzocht opnieuw het faillissement van [verzoekster 1] uit te spreken om binnen dat verband de voldoening te laten plaatsvinden van de tijdens het eerste faillissement en daarna doorgelopen rentevorderingen, die ingevolge artikel 128 Fw Pro in het eerste faillissement niet konden worden geverifieerd. Op 27 mei 2013 heeft de rechtbank Rotterdam het tweede faillissement van [verzoekster 1] uitgesproken met benoeming van verweerder in cassatie (hierna: de Curator) tot curator en mr. W. Reinds tot rechter-commissaris.
- ii) Op 19 juli 2013 heeft in het tweede faillissement van [verzoekster 1] de verificatievergadering plaatsgevonden. De rechter-commissaris heeft op de verificatievergadering onder meer besloten dat de crediteuren, die door de Curator op zijn initiatief op de lijst van voorlopig erkende concurrente schuldvorderingen waren geplaatst, zouden worden overgebracht naar de lijst van definitief erkende schuldvorderingen.
- iii) Hiertegen hebben (onder meer) de gefailleerde, eisers tot cassatie sub 2 en 3 (hierna: de twee schuldeisers) alsmede enkele indirecte aandeelhouders van gefailleerde op grond van artikel 67 Faillissementswet Pro beroep ingesteld. Bij beschikking van 31 oktober 2013 heeft de rechtbank niet alleen de gefailleerde en de indirecte aandeelhouders in hun beroep ontvankelijk verklaard, maar ook geoordeeld dat het door de Curator op eigen initiatief plaatsen van schuldvorderingen op de lijst van voorlopig erkende vordering in strijd is met artikel 110 Fw Pro en bepaald dat de verificatievergadering opnieuw moet worden gehouden.
- iv) Van deze beschikking heeft de Curator beroep in cassatie ingesteld. Op 28 november 2014 heeft de Hoge Raad een beschikking gewezen
( [2] )
( [3] )Hoezeer de vorderingen van schuldeisers van [verzoekster 1] ter zake van rente, die na het uitspreken van het faillissement is vervallen, in het eerste faillissement van [verzoekster 1] niet voor verificatie in aanmerking zijn gekomen, zijn deze vorderingen ten opzichte van de gefailleerde opeisbaar gebleven en zijn zij ingevolge de artikelen 3:307 BW en 3:308 BW verjaard voor zover er meer dan vijf jaren zijn verstreken na het opeisbaar worden van de rente. In dat verband wordt erop gewezen dat de failliet verplichtingen kan aangaan die wel hem maar niet de boedel binden, en dat hij over vermogen kan beschikken dat buiten de faillissementsboedel valt. Door tijdige stuiting had de verjaring voorkomen kunnen worden, maar stuiting heeft niet plaatsgevonden, ook niet tijdens de verificatievergadering van 19 april 2013. Maar als dit laatste al anders is, dan heeft die eventuele erkenning op 19 april 2013 slechts tot gevolg dat de verjaring is gestuit voor de periode van vijf jaren vóór de stuiting. Een beroep op verjaring is ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Artikel 36 Fw Pro, waarin tijdens het faillissement verlopende verjaringstermijnen worden verlengd tot zes maanden na het einde van het faillissement, vindt te dezen geen toepassing. Het artikel heeft immers betrekking op voor verificatie in aanmerking komende vorderingen. De in geschil zijnde rentevorderingen vormen niet dergelijke vorderingen. Indien artikel 36 FW Pro niettemin wel toepasselijk zou zijn, dan zijn de rentevorderingen in ieder geval zes maanden na het einde van het eerste faillissement van [verzoekster 1] verjaard. De vraag van verjaring betreft een prealabele kwestie; aan het aan de orde stellen van deze kwestie met een verzoek ter zake aan de rechter-commissaris op de voet van artikel 69 Fw Pro staan niet in de weg de regelingen in de artikelen 122 Fw (de renvooiprocedure) en 126 Fw (de mogelijkheid voor de failliet om bezwaar te maken tegen erkenning van een vordering tijdens verificatieprocedure). De schuldeisers en de gefailleerde hebben er belang bij dat een beroep op verjaring wordt gedaan, opdat daarmee wordt voorkomen dat het in de boedel resterende vermogen wordt uitgekeerd aan schuldeisers ter zake van rente, waarop zij wegens verjaring geen aanspraak meer kunnen maken. De schuldeisers en de gefailleerde willen dat in één (proef)procedure wordt beslist of de rentevorderingen al dan niet zijn verjaard. De rechter-commissaris is bevoegd om een bevel zoals verzocht te geven; de omstandigheid dat de Curator geen aparte machtiging nodig heeft van de rechter-commissaris voor een betwisting, wil niet zeggen dat de rechter-commissaris de Curator daartoe niet kan instrueren.
( [4] ), middels een verzoekschrift cassatieberoep ingesteld. De Curator heeft op 21 september 2015 een verweerschrift ingediend.
2.Bespreking cassatiemiddel
( [5] )dat artikel 36 Fw Pro – rechtstreeks dan wel analoog – van toepassing is op rechtsvorderingen ter zake van rente die na het ingaan van het eerste faillissement van [verzoekster 1] vervalt, en dat dit betekent dat vorderingen ter zake van rente, die na het ingaan van het eerste faillissement van [verzoekster 1] is vervallen, pas kunnen verjaren bij het verstrijken van de zes maanden na het einde van het eerste faillissement. Maar het wel of niet verjaard zijn van de vorderingen kan, zo betoogt de Curator, pas worden aangenomen nadat is gebleken of er wel of niet een (tijdige) stuiting heeft plaatsgevonden en van dit laatste moet, aldus nog steeds de Curator, in een renvooiprocedure blijken. Dit laatste brengt mee, naar de Curator ook erkent, dat in deze procedure niet vast te stellen is of vanwege artikel 36 BW Pro belang bij het door de gefailleerde en de schuldeisers ingesteld cassatieberoep ontbreekt. Hierin kan aanleiding worden gevonden om de door de Curator opgeworpen vraag naar de reikwijdte van artikel 36 Fw Pro onbehandeld te laten. Omdat de Curator om een obiter dictum ter zake verzoekt en het geval van het blijven vervallen van rente na het ingaan van een faillissement zich regelmatig voordoet, wordt hierna toch aan de vraag aandacht geschonken.
( [6] )Mede gelet op deze toelichting in de parlementaire geschiedenis van de aanpassing van artikel 36 dient Pro de nu daarin opgenomen regeling te worden opgevat als een regeling van de verlenging van de verjaringstermijnen voor een bepaald geval, te weten voor het geval waarin het gaat om een rechtsvordering die strekt tot uitoefening van een verbintenis binnen het verband van een faillissement. Vanwege dit specifieke karakter van de regeling en omdat de keuze van de gevallen, waarin verlenging van verjaringstermijnen gewenst is, toch aan de wetgever moet worden gelaten, lijkt analoge toepassing van artikel 36 Fw Pro bij rechtsvorderingen, die niet binnen het verband van het faillissement geldend zijn te maken, niet op zijn plaats.
in artikel 126 Fw Pro de bevoegdheid is gegeven zich te verzetten tegen de erkenning van een vordering zonder dat dit verzet leidt tot een verwijzing van betrokken partijen naar de renvooiprocedure. Het rechtsgevolg van een dergelijke betwisting door de gefailleerde is (slechts) dat, in afwijking van artikel 196 Fw Pro, het proces-verbaal van de verificatievergadering na beëindiging van het faillissement, tegenover de gefailleerde geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel oplevert. Het zou onverenigbaar zijn met dit wettelijk stelsel indien de gefailleerde wel als partij in de zin van artikel 67 Fw Pro zou kunnen opkomen tegen een beschikking waarin de rechter-commissaris weigert de curator te verplichten vorderingen (met een beroep op verjaring) te betwisten.
zonder het hoger beroep geen rechtsingang heeft zich tegen de beslissing van de curator te verzetten is niet juist. Zo kan de vennootschap na het faillissement een vordering tegen de schuldeisers instellen waarin zij de door de curator uitgekeerde rentevorderingen als onverschuldigd betaald terugvordert. Ook kan zij de curator aansprakelijk stellen wegens de (vermeende) onterechte weigering zich op verjaring van de rentevorderingen te beroepen.”
eerste klachtwordt aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat [verzoekster 1] als ‘partij’ bij de beschikking d.d. 13 februari 2015 van de rechter-commissaris moet worden aangemerkt en reeds als zodanig voldoende belang heeft om in hoger beroep te komen van de beschikking van de rechter-commissaris.
tweede klachtwordt aangevoerd dat de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door er van uit te gaan dat het in de Faillisementswet opgenomen stelsel van verificatie van vorderingen en de in dat kader in de artikelen 126 en 196/197 Fw ten behoeve van de failliet getroffen voorzieningen niet toelaten dat de gefailleerde voorafgaande aan de verificatievergadering een beleidsbeslissing van de Curator ten aanzien van een beroep door hem op verjaring op de voet van artikel 69 Fw Pro bij de rechter-commissaris ter discussie stelt en bij afwijzing van een daartoe strekkend verzoek hoger beroep instelt op de voet van artikel 67 Rv Pro. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het tot de rechter-commissaris gerichte verzoek niet ziet op een inhoudelijke betwisting van bepaalde vorderingen, maar op de prealabele vraag of de vorderingen van de betreffende schuldeisers nog wel bestaan. Met de tweede klacht is nauw verbonden de
derde klacht. Hiermee wordt als onjuist dan wel als onbegrijpelijk bestreden het oordeel van de rechtbank, dat strekt tot nadere onderbouwing van het met de tweede klacht bestreden oordeel en dat inhoudt dat de gefailleerde na het einde van haar (tweede) faillissement tegen de beslissing van de Curator om geen beroep op verjaring te doen kan opkomen door het instellen van een vordering tegen de schuldeisers tot terugbetaling van de uitgekeerde rentevorderingen als onverschuldigd betaald en/of tegen de Curator tot vergoeding van de schade wegens het ten onrechte zich niet beroepen op verjaring van de rentevorderingen. De klacht wordt onder meer met het volgende nader toegelicht. Bij de eerste vordering speelt, afgezien van het grote aantal schuldeisers, het probleem dat de terugvordering van de uitbetaalde rente afstuit op het uitbetaald zijn van de rente ter voldoening van een na de verjaring overgebleven natuurlijke verbintenis. Bij de tweede vordering is de niet onaanzienlijke horde te nemen van de restrictieve regeling van de aansprakelijkheid van een curator voor schade. Een en ander heeft de rechtbank miskend, althans heeft de rechtbank ten onrechte niet in zijn motivering betrokken.
( [8] )
( [9] )Bij dit alles komt in casu nog dat, naar terecht van de zijde van de gefailleerde wordt aangevoerd, een terugvorderen van de uitgekeerde rente, nadat alsnog is gebleken dat de rentevorderingen ten tijde van de uitbetaling geheel althans voor een deel waren verjaard, afstuit op artikel 6:3, lid 2 sub b BW: na de verjaring resteert een weliswaar niet afdwingbare verbintenis, maar de voldoening aan die verbintenis brengt geen onverschuldigde betaling mee. Kortom, in het onderhavige geval valt aan de artikelen 126 en 197 Rv geen voldoende rechtvaardiging te ontlenen om aan de gefailleerde het benutten van de artikelen 69 en 67 Fw te onthouden.
eerste aangevoerde klachtkomt overeen met de eerste klacht van onderdeel 1 en treft eveneens geen doel om redenen die – mutatis mutandis – overeenkomen met de redenen van ongegrondheid van deze laatste klacht als hierboven in 2.15 vermeld.
tweede klachtwordt betoogd, kort gezegd, dat de voor de twee schuldeisers voorhanden zijnde mogelijkheid om de rentevorderingen in het kader van de verificatie-procedure te betwisten en vervolgens een beslissing te verkrijgen in een renvooiprocedure over de vraag van het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn voor de rentevorderingen rechtens geen beletsel vormt om op de voet van artikel 69 Fw Pro aan de rechter-commissaris het beleidsvoornemen van de Curator voor te leggen om met betrekking tot de rentevorderingen geen beroep op verjaring te doen en om bij afwijzing door de rechter-commissaris van de tot hem gerichte verzoeken zich op de voet van artikel 67 Fw Pro tot de rechtbank te wenden.