ECLI:NL:PHR:2016:782

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2016
Publicatiedatum
29 juli 2016
Zaaknummer
15/05893
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Rechters
  • W.H. Vellinga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 471 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens gegronde persoonsverwisseling bij diefstalzaak

De aanvraagster werd in 2002 bij verstek veroordeeld voor diefstal gepleegd in 2001. Later werd een aanvraag tot herziening ingediend op grond van een gegronde persoonsverwisseling, waarbij werd gesteld dat de veroordeelde zich had uitgegeven voor de aanvraagster.

Onderzoek toonde aan dat vingerafdrukken en uiterlijke kenmerken van de veroordeelde niet overeenkwamen met die van de aanvraagster. Dit leidde tot een ernstig vermoeden dat de verkeerde persoon was veroordeeld.

De Hoge Raad verklaarde de herziening gegrond, schorste indien nodig de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor herbehandeling volgens de wettelijke procedure.

De zaak illustreert het belang van juiste identificatie in strafzaken en de mogelijkheid tot herziening bij ernstige fouten zoals persoonsverwisseling.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herziening gegrond wegens persoonsverwisseling en verwijst de zaak terug voor herbehandeling.

Conclusie

Nr. 15/05893 H
Zitting: 21 juni 2016
Mr. W.H. Vellinga
Conclusie inzake:
[aanvraagster]
1. De aanvraagster is bij onherroepelijk [1] arrest van 2 juli 2002 door het gerechtshof Amsterdam wegens “Diefstal door twee of meer verenigde personen”, gepleegd op 30 september 2001 te Amsterdam, bij verstek veroordeeld tot jeugddetentie voor de tijd van twee weken.
2. Namens de aanvraagster heeft mr. D. van den Broek, advocaat te Utrecht, een aanvrage tot herziening van voornoemd arrest van het hof ingediend. Het verzoek berust op de stelling dat de bij voornoemd arrest veroordeelde persoon zich heeft uitgegeven voor de aanvraagster.
3. Bij de aanvrage is gevoegd een proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2015, opgemaakt door [verbalisant] , buitengewoon opsporingsambtenaar in de- politieregio Amsterdam-Amstelland, als dactyloscoop dienstdoende aan het Team Forensische Opsporing van de Dienst Regionale Recherche, Bureau Recherche Expertise aldaar, inhoudende als diens verklaring:
“Op 30 september 2001 werd te Amsterdam een dactyloscopisch signalement vervaardigd, gesteld ten name van:
[aanvraagster] , geboren, op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats] ;,
Dit dactyloscopisch signalement
nietidentiek aan een op 2 maart 2015 te Amsterdam vervaardigd dactyloscopisch signalement van een vrouw die zich legitimeerde met een Bulgaarse Identiteitskaart, nummer: [001] , gesteld ten name van:
[aanvraagster] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] .
Bij vergelijking van deze dactyloscopische signalementen werden door mij geen dactyloscopische overeenkomsten waargenomen.
Hierdoor staat vast dat beide dactyloscopische signalementen werden vervaardigd van
verschillendepersonen.”
4. Voorts is bij de aanvrage gevoegd een kopie van een email-bericht d.d. 11 mei 2015, afkomstig van advocaat-generaal mr. R.C. Tdlohreg (ressortsparket Amsterdam) en gericht aan [A] @politie.nl, luidende:
“Geachte [A] ,
In aansluiting op ons telefoongesprek van zojuist inzake de op uw bureau ingesloten persoon, [aanvraagster] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , bericht ik u als volgt.
De betrokken persoon is eerder aangehouden geweest ter executie van de straf opgelegd in de zaak onder parketnummer 23.000828-02. Naar aanleiding van de bewering door haar advocaat, mevrouw mr D. van der Broek, dat betrokkene niet dezelfde persoon zou zijn als de verdachte/veroordeelde in deze strafzaak, maar dat een andere persoon van haar persoonsgegevens en paspoort gebruik zou hebben gemaakt, heb ik nader onderzoek laten verrichten door de politie te Amsterdam. Gedurende dat onderzoek is [aanvraagster] op last van mij in vrijheid gesteld.
De uitkomst van het onderzoek onderschrijft het standpunt dat sprake is van een persoonsverwisseling.
Niet alleen komt het uiterlijk van [aanvraagster] niet overeen met de destijds door de politie te Amsterdam gemaakte Polaroidfoto van de aangehouden verdachte (zie het bijgevoegde pv), ook de destijds van de aangehouden persoon afgenomen vingerafdrukken horen niet bij [aanvraagster] (zie bijgevoegd pv d.d. 3 maart 2015 van [verbalisant] ).
Kort gezegd komt het er op neer dat, indien de persoon die u thans in uw bureau heeft, inderdaad de genoemde [aanvraagster] is, zij ten onrechte gesignaleerd staat voor de zaak onder parketnr. 23.000828-02, ik u verzoek haar in vrijheid te stellen en zo mogelijk te bevorderen dat de signalering op haar naam wordt doorgehaald.
Wilt u mij de ontvangst van deze mail bevestigen?”
5. Uit de uit deze stukken blijkende verschillen in vingerafdrukken en uiterlijk tussen de op 30 september 2001 als verdachte van het bewezen verklaarde feit aangehouden persoon en aanvraagster rijst een ernstig vermoeden dat de aanvraagster niet de op 30 september 2001 als verdachte van het bewezen verklaarde feit aangehouden persoon is en dus dat indien deze gegevens bij het hof bekend zouden zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot vrijspraak, zoals bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 september 2001 zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 471, eerste lid, Sv is voorzien.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bij arrest van 15 april 2014, griffienr. 13/05541 J, heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet ontvankelijk verklaard.