ECLI:NL:PHR:2016:789

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2016
Publicatiedatum
15 augustus 2016
Zaaknummer
16/03218
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46b WrraArt. 46i lid 1 WrraArt. 46j WrraArt. 46o Wrra
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag rechterlijk ambtenaar wegens langdurige arbeidsongeschiktheid

Betrokkene is sinds 1 juli 2013 arbeidsongeschikt wegens ziekte en werkzaam als rechter bij de Rechtbank Limburg. Op verzoek van het bestuur van de Rechtbank en na bevestiging door de president van de Rechtbank is een vordering tot ontslag ingediend bij de Hoge Raad op grond van artikel 46i lid 1 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).

Het UWV heeft op 11 juni 2015 een WIA-uitkering toegekend aan betrokkene vanwege 100% arbeidsongeschiktheid. De arbeidsdeskundige van het UWV concludeerde dat betrokkene niet geschikt was voor haar eigen werk en niet belastbaar was voor gangbare arbeid, zonder mogelijkheden tot werkhervatting. De bedrijfsarts rapporteerde in oktober 2015 en april 2016 dat er geen significante verbetering was en dat binnen zes maanden geen re-integratie te verwachten was.

Op grond van deze rapportages en het oordeel van het UWV is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor ontslag wegens arbeidsongeschiktheid. Betrokkene is inmiddels bijna drie jaar arbeidsongeschikt en duurzame re-integratie in passende arbeid binnen een redelijke termijn is niet te verwachten. Betrokkene heeft geen bezwaar gemaakt tegen het ontslag.

De Hoge Raad wijst de vordering toe en ontslaat betrokkene als rechterlijk ambtenaar met ingang van 1 september 2016.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst de vordering tot ontslag toe en ontslaat betrokkene als rechterlijk ambtenaar met ingang van 1 september 2016.

Conclusie

K/2015/006
Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer
Vordering ais bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren betreffende
[betrokkene]
geboren op [geboortedatum] 1956, wonende aan de [a-straat 1] te [geboorteplaats] .
Betrokkene is rechter in de Rechtbank Limburg en derhalve een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Zij is sinds 1 juli 2013 arbeidsongeschikt wegens ziekte. In zijn brief van 18 november 2015 heeft mr. L.A. Gruiters, lid van het bestuur van de Rechtbank Limburg, mij verzocht betrokkene bij de Hoge Raad voor te dragen voor ontslag op grond van artikel 46i lid 1 Wrra. Mr. Gruiters heeft een dossier aangaande de arbeidsongeschiktheid van betrokkene overgelegd. Het verzoek is bij schrijven van 7 april 2016 bevestigd, overeenkomstig artjkel 46o lid 2 Wrra, door de President van de Rechtbank, mr. P.W.E.C. Pulles.
Artikel 46i lid 1 Wrra bepaalt dat een rechterlijk ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid door de Hoge Raad kan worden ontslagen indien a) de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd, b) herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden na voornoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten en o) naar het oordeel van de functionele autoriteit duurzame re-integratie in de eigen arbeid, in andere passende arbeid bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van Onze Minister, of in passende arbeid buiten dat gezagsbereik, niet binnen een redelijke termijn is te verwachten.
Artikel 46j Wrra houdt in - kort gezegd - dat de Hoge Raad het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) betrekt bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 46i lid 1.
Uit de overgelegde stukken blijkt het volgende.
Bij beslissing van het UWV van 11 juni 2015 is aan betrokkene een WIA-uitkering toegekend. Volgens de toelichting bij de beslissing had betrokkene sinds 1 juli 2013 twee jaar door ziekte niet kunnen werken. Het UWV achtte haar 100% arbeidsongeschikt.
Bijlage bij de beslissing van het UWV is het rapport van de arbeidsdeskundige van het UWV van dezelfde datum. De beoordeling van de arbeidsdeskundige hield in dat betrokkene niet geschikt was voor haar eigen arbeid als rechter, dat zij niet belastbaar was met gangbare arbeid en dat er (op dat moment) geen mogelijkheden waren tot werkhervatting.
In die situatie is sedertdien geen wijziging opgetreden. De bedrijfsarts rapporteerde op 6 oktober 2015 dat er geen beduidende veranderingen waren in de beperkingen en mogelijkheden die in februari 2015 waren aangegeven, te weten dat betrokkene medisch gezien geen tot marginaal benutbare mogelijkheden had en dat zij nog niet in staat was te hervatten in haar eigen werk.
Op 6 oktober verwachtte de bedrijfsarts binnen zes maanden op medisch gebied geen aanzienlijke verbetering van de mogelijkheden c.q. afname van de beperkingen waardoor de inzetbaarheid van betrokkene voor haar eigen of aangepast werk zou toenemen.
Bij het laatste consult, op 11 april 2016, was volgens de bedrijfsarts de belastbaarheid niet beduidend toegenomen ten opzichte van oktober 2015. De bedrijfsarts verwachtte niet dat betrokkene in staat was te re-integreren bij de Rechtbank binnen een termijn van 6 maanden.
Op grond van het voorafgaande ben ik van oordeel dat ten aanzien van betrokkene is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Per 1 juli 2016 zal betrokkene drie jaar arbeidsongeschikt zijn. Gelet op de beslissing van het UWV, het rapport van de arbeidsdeskundige en de rapportage van de bedrijfsarts is duurzame re-integratie in de eigen arbeid of andere passende arbeid binnen een redelijke termijn niet te verwachten.
Alvorens over te gaan tot het instellen van een vordering bij de Hoge Raad heb ik bij schrijven van 18 april 2016 betrokkene - overeenkomstig artikel 46o lid 3 Wrra - in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen. Bij schrijven van 2 mei 2016 heeft betrokkene laten weten dat zij - ervan uitgaande dat de datum van het ontslag zal worden vastgesteld op een moment na 2 mei - geen opmerkingen had.
De stukken van deze zaak leg ik over overeenkomstig de bijgevoegde inventarislijst.
Gelet op het voorafgaande vorder ik dat de Hoge Raad [betrokkene] op de voet van artikel 46i lid 1 Wrra zal ontslaan met ingang van 1 september 2016.