Conclusie
middelklaagt dat de beslissing van het hof om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden op te leggen niet toereikend of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
Oplegging van straf en/of maatregel
ten tijde vanhet plegen van de bewezenverklaarde feiten een stabiele relatie had en beschikte over woonruimte en werk, strookt inderdaad niet met de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 augustus 2015 voor zover het gaat om de aldaar afgelegde verklaring van de verdachte. Deze heeft immers op die terechtzitting verklaard dat hij (toen) pas sinds een halfjaar een stabiele thuissituatie had, maar dat hij ten tijde van de bewezenverklaarde strafbare feiten (die zien op de periode oktober en november 2013) in een slechte periode zat, veel drugs gebruikte en geen vaste woon- of verblijfplaats had. Daarbij komt dat ik uit het genoemde zittingsverbaal niet kan afleiden dat toen aan de verdachte uitdrukkelijk zou zijn gevraagd waarom hij ondanks de (vermeende) gunstige omstandigheden de hem verweten strafbare feiten heeft begaan. Een blik over de papieren muur biedt evenmin aanknopingspunten die de strafmotivering van het hof op dat onderdeel kunnen onderbouwen.