Conclusie
1.[eiser 1] , in persoon en als enig erfgenaam van [A] ,
[eiser 2],
[eiseres 3]
1.Inleiding
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
verrekening
€ 7.979,85(advocaatkosten ontruiming [betrokkene 8])
lees 4.11; A-G] bedoelde vorderingen op de erven [A] heeft verklaard deze te zullen verrekenen met zijn schuld uit overbedeling jegens de erven [A] . Dat de schuld wegens overbedeling op het moment van de verklaring nog niet was ontstaan, kan aan verrekening niet afdoen, nu de verrekeningsverklaring ook onder een opschortende voorwaarde of tijdsbepaling kan geschieden (artikel 6:38 BW Pro). De bevoegdheid en mogelijkheid tot verrekening zijn ontstaan op het moment van de verdeling. Het betreft over en weer verbintenissen tot het betalen van een geldsom. [verweerder] is zowel bevoegd tot betaling van zijn schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vorderingen. De vorderingen en de schuld vallen niet in van elkaar gescheiden vermogens. Op het moment van de verdeling heeft de verrekening aldus plaatsgevonden. De betaling door [verweerder] van € 126.338,11 op de rekening van de notaris ten behoeve van de erven [A] , geldt voor zover de schuld wegens overbedeling al was voldaan door verrekening, als onverschuldigd. (…)
nr. 12van de inleiding bij de klachten, de verwijzing naar het vonnis in
nr. 32en
nr. 67van het voortbouwende onderdeel 4 − maar dat beïnvloedt niet de beoordeling van de klachten.
subonderdeel 1.2merk ik op dat het hof uit de gedingstukken heeft kunnen afleiden dat [verweerder] in deze procedure heeft gesteld dat hij zich voorafgaand aan de verdeling heeft beroepen op verrekening in de zin van art. 6:127 BW Pro. Ik verwijs naar de zojuist gegeven weergave van het partijdebat. [verweerder] heeft dat met name in appel gesteld. Het middel leest daarin naar mijn mening ten onrechte dat [verweerder] eerst in appel, althans na het opmaken van de akte van verdeling, een beroep op verrekening heeft gedaan (onder meer
nrs. 29-31, 34).
nr. 37), naar mijn mening niet (laat staan dwingend) een betwisting van het bestaan van verrekeningsverklaringen besloten, maar (veeleer) een betwisting van het rechtsgevolg daarvan.
subonderdeel 2.2a(
nr. 52) merk ik nog op, dat in het onderhavige dossier naar mijn mening door [eisers] geen stellingen zijn aangevoerd, [14] waaruit zou volgen dat het hof zonder nadere motivering niet heeft kunnen oordelen dat in de akte van verdeling geen afstand is gedaan van verrekening of eerdere verrekeningsverklaringen.