Conclusie
[verweerder 1],
De erfgenamen van [A],
[verweerder 3],
[verweerster 4],
1.Inleiding
3.Procesverloop
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdelen 1 t/m 3vatten het oordeel in rov. 4.17 op als een toepassing van art. 6:101 lid 1 BW Pro.
Onderdeel 4bevat een klacht voor het geval het hof toepassing heeft gegeven aan een andere rechtsregel, zoals art. 6:98 of Pro 6:162 BW.
subonderdeel 1.1heeft het hof, kort gezegd, de maatstaf van art. 6:101 BW Pro miskend.
subonderdeel 1.2aanvoert, heeft het hof zijn oordeel voldoende gemotiveerd. Ik verwijs naar hetgeen hier voor werd opgemerkt. Dat een boetebeding gebruikelijk is, zoals de klacht aanvoert, moge waar zijn, maar doet niet af aan de door het hof in rov. 3.17 genoemde omstandigheden. Dat geldt ook voor het argument dat [eiser] de woning, waarop hij sinds 2009 recht heeft, in 2011 verkoopt.
subonderdeel 2.2aanvoert, is dit oordeel nog voldoende gemotiveerd. Het hof was van oordeel, dat de aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden in zodanige mate tot de schade hebben bijgedragen dat de schade geheel voor zijn rekening moet blijven. Daarin ligt besloten in welke mate de aan ieder toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan de schade.
onderdeel 3zijn gebaseerd op de veronderstelling dat het hof in rov. 4.17 toepassing heeft gegeven aan de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW Pro en dat het op grond daarvan tot het oordeel is gekomen dat de verplichting tot schadevergoeding van [verweerders] geheel vervalt.
5.Bespreking van het (deels: voorwaardelijk) incidentele cassatiemiddel
nr. 9). Indien een of meer van de klachten in onderdeel 1 t/m 3 van het cassatieberoep van [verweerder 1] , [verweerder 3] en [verweerster 4] (nr. 15/02860) tegen het onderhavige arrest slagen, kan niet in stand blijven het oordeel in rov. 4.16, dat partijen geen belang hebben bij beantwoording van de vraag of de verkrijging van het recht van hypotheek door [verweerster 4] nietig is op grond van art. 3:43 BW Pro. Dat wordt ook aangegeven in onderdeel 4 van de genoemde cassatiedagvaarding.
nr. 8).
onderdeel 2van het incidentele middel geen bespreking.
nr. 3klaagt dat dit oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk is, omdat de hypotheekrechten bij de verdeling van rechtswege zouden komen te vervallen en verdeling (en toedeling krachtens verdeling), alsmede de doorlevering van de woning door [eiser] aan zijn kopers, (ook) kon plaatsvinden zonder (volmacht tot) doorhaling van de hypothecaire inschrijvingen, dient het te falen.
De achtergrond van het verzoek aan uw cliënte om een royementsvolmacht te ondertekenen is derhalve beperkt tot de doorhaling van de inschrijving bij het kadaster. Door ondertekening van de royementsvolmacht komt het hypotheekrecht niet te vervallen. De volmacht maakt louter de doorhaling van de waardeloze inschrijving mogelijk. Dat de inschrijving waardeloos wordt is het gevolg van het in artikel 3:177 BW Pro bepaalde.”
nr. 4dat het onrechtmatigheidsoordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat procederen op zichzelf niet als onrechtmatig wordt aangemerkt en hetzelfde zou gelden voor (aanvankelijk) weigeren, berust op een onjuiste lezing van het arrest.
nr. 5dat het oordeel dat [verweerder 3] en [verweerster 4] onrechtmatig hebben gehandeld (ook) onjuist en/of onbegrijpelijk is, gelet op de onder a t/m i vermelde stellingen van [verweerders] , dient eveneens te falen. Ik bespreek die stellingen hierna kort.
onder a en bkomen erop neer dat [eiser] de verdeling zelf heeft gefrustreerd c.q. vertraagd door zich tot 11 december 2012 ten onrechte op het standpunt te blijven stellen dat door hem gepretendeerde vorderingen op de Erven [A] dienden te worden verrekend met zijn inbrengverplichting jegens de boedel, alsmede door het merendeel van de gevoerde procedures met betrekking tot de verdeling te entameren. Deze stellingen kunnen niet aan het oordeel van het hof afdoen. Het hof is kennelijk van oordeel geweest dat in ieder geval de verantwoordelijkheid voor de complicaties die optraden door de (aanvankelijke) weigering van [verweerder 3] en [verweerster 4] om volmachten tot doorhaling van hun hypothecaire inschrijvingen te verlenen, niet op het conto van [eiser] kunnen worden geschreven. In rov. 4.10-4.14 oordeelt het hof bovendien dat [eiser] op het moment van de verdeling bevoegd was tot verrekening.
onder cis bij 5.7.2 al besproken. De stelling
onder ddat het hypotheekrecht van [verweerster 4] geldig (dat wil zeggen niet nietig ex art. 3:43 BW Pro) was − van de juistheid waarvan in cassatie blijkens rov. 4.16 veronderstellenderwijze moet worden uitgegaan − is door het hof verdisconteerd in zijn oordeel dat [verweerster 4] onrechtmatig heeft gehandeld. Dat oordeel berust immers op de (aanvankelijke) weigering om in de omstamdigheden van het geval een volmacht tot doorhaling te geven.
onder edat bij [verweerster 4] tot (kort) vóór 11 december 2012 onduidelijkheid bestond over de vraag of de volmacht (i) alleen zou zien op de hypothecaire inschrijving of (ii) ook zou inhouden dat [verweerster 4] (vóór de verdeling) onvoorwaardelijk afstand van haar hypotheekrecht (en daarmee van haar substitutiepandrecht) zou doen, heeft het hof in rov. 4.18 − mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser] [13] − voldoende gemotiveerd verworpen met overwegingen over ‘haar kennis van de perikelen rond de verdeling’.
onder f t/m hbehelzen – kort samengevat – dat [verweerder 3] en [verweerster 4] voorafgaand aan de (geplande data van) verdeling hebben toegezegd een volmacht tot doorhaling af te geven en dat zij deze volmacht ook daadwerkelijk hebben verleend. In ’s hofs oordeel ligt echter besloten dat deze omstandigheden niet het onrechtmatig karakter ontnemen aan het door [verweerder 3] en [verweerster 4] niet op eerste verzoek afgeven van een volmacht tot doorhaling van de hypothecaire inschrijving. Het middel moet overigens worden nagegeven dat alleen [verweerster 4] in rechte is veroordeeld een volmacht tot doorhaling af te geven (vgl. rov. 4.3) en niet [verweerder 3] . Dit laatste doet echter niet af aan het door het hof geconstateerde onrechtmatig handelen.
onder ivermelde stelling dat ten tijde van de verdeling de door [eiser] ten behoeve van zijn advocaat gevestigde (nietige) hypotheekrechten nog in de openbare registers stonden ingeschreven, behoefde het hof niet in zijn oordeel te betrekken. Daaruit volgt immers niet dat déze hypothecaire inschrijvingen de verdeling en toedeling van de woning aan [eiser] dan wel de doorlevering door deze van de woning aan de kopers (nodeloos) bemoeilijkten [14] noch dat zij het onrechtmatig karakter zouden ontnemen aan de aanvankelijke weigering door [verweerder 3] en [verweerster 4] om met betrekking tot hun eigen hypothecaire inschrijvingen een volmacht tot doorhaling te geven.