ECLI:NL:PHR:2016:862
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad ziet af van beantwoording prejudiciële vraag over vrije advocaatkeuze bij ontslagprocedure
In deze zaak diende een prejudiciële vraag over de toepassing van artikel 4 lid 1 van Pro Richtlijn 87/344/EEG, in samenhang met artikel 4:67 van Pro de Wet financiële toezicht (Wft), betreffende de vrije advocaatkeuze bij een ontslagprocedure bij het UWV. De vraag was of een ontslagprocedure moet worden aangemerkt als een administratieve procedure in de zin van de richtlijn.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, mr. J. Spier, bracht een conclusie uit waarin hij het verzoek ondersteunde om af te zien van beantwoording van de prejudiciële vraag. Hij verwees naar eerdere uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Hoge Raad zelf, en benadrukte dat de zaak inmiddels was geschikt, waardoor verdere behandeling niet nodig was.
Daarnaast uitte de Procureur-Generaal zorgen over de mogelijke negatieve gevolgen van een nadere uitleg van de richtlijn, die de beschikbaarheid van betaalbare rechtsbijstandverzekeringen in gevaar zou kunnen brengen. Hij pleitte ervoor om ongevraagde oordelen te vermijden zolang de gevolgen van eerdere rechtspraak onduidelijk zijn.
De Hoge Raad besloot vervolgens af te zien van beantwoording van de prejudiciële vraag, waarmee de procedure werd afgerond zonder inhoudelijke uitspraak over de vraag zelf.
Uitkomst: De Hoge Raad zag af van beantwoording van de prejudiciële vraag en beëindigde de procedure zonder inhoudelijke uitspraak.