Conclusie
[eiser 1] ,
[eiseres 2] ,
[verweerster 1] ,
[verweerder 2] ,
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
gestelddat [verweerder] c.s. 13 centimeter over het midden van de scheidsmuur hebben gebouwd. Integendeel, het hof overweegt in de voorafgaande zin in rov. 4 van het eindarrest letterlijk:
“ [eiser] c.s. stellen evenwel (…) dat [verweerder] c.s.“ten minste 13 centimeter over de helft van de scheidsmuur” hebben gebouwd (…).” [11] Het hof heeft in de slotzin van rov. 4 echter tot uitdrukking gebracht dat het de
juistheidvan deze stelling (“dit”) niet heeft kunnen afleiden uit hetgeen [eiser] c.s. op dit punt hebben aangevoerd, hetgeen het hof vervolgens heeft uitgewerkt in rov. 5-6.
tweedeklacht keert zich in de kern tegen de vaststelling van het hof (in rov. 5) dat deskundige Bakker in zijn rapportering – het rapport van Nedeb [12] – niet spreekt over het overschrijden van
de helft van de scheidsmuur(maar over het overschrijden van de
erfgrens). Volgens het middel doet de deskundige dat eerste namelijk wel degelijk (cassatiedagvaarding nr. 18), waarmee het middel kennelijk doelt op het eerdere betoog (cassatiedagvaarding nr. 16, 1e-3e volzin) dat, hoewel de tekst van het Nedeb-rapport niet spreekt van het midden van de mandelige scheidsmuur, de deskundige, zoals hij verklaard heeft ter zitting van de rechtbank (verwezen wordt naar het in de cassatiedagvaarding onder 12 geciteerde p-v van 5 november 2008) er bij zijn berekeningen vanuit is gegaan dat de erfgrens over het midden van de scheidsmuur loopt.
de helft van de scheidsmuuris geplaatst, niet alleen hebben verwezen naar het rapport van Nedeb, maar ook naar de toelichting die de deskundige ter comparitie op 5 november 2008 heeft gegeven (waarbij zij verwijzen naar het proces-verbaal van comparitie, p. 2, laatste alinea). Het hof heeft dit ook onderkend, getuige rov. 5, eerste volzin.
de factotevens heeft vastgesteld dat sprake is van een overbouw van 13 cm over het midden van de mandelige scheidsmuur, kan dit mijns inziens niet tot cassatie leiden. Het hof heeft immers in rov. 5 vastgesteld – in cassatie niet bestreden – dat de deskundige zijn schriftelijke conclusie betreffende de 13 cm overbouw niet heeft toegelicht en heeft vervolgens in rov. 6 vastgesteld – evenmin in cassatie bestreden – dat die conclusie inhoudelijk noch door de eigen – onnavolgbare – toelichting van [eiser] c.s. (het hof doelt kennelijk op de akte van 7 april 2015, nr. 10, 6e volzin) noch anderszins is geadstrueerd. Deze vaststelling kan het oordeel dat van een grensoverschrijdende bouw niet is gebleken en dat [eiser] c.s. hun standpunt derhalve onvoldoende hebben onderbouwd (rov. 7), zelfstandig dragen. De klacht faalt derhalve bij gebrek aan belang.
derdeklacht van [eiser] c.s., gericht tegen rov. 6 en 7 van het eindarrest (cassatiedagvaarding nr. 19), treft geen doel. Anders dan [eiser] c.s. stellen is er, gezien het vorenstaande, geen sprake van een evidente misslag van het hof in rov. 4 en/of 5 die doorwerkt in rov. 6 en 7 van het bestreden arrest.