Conclusie
1.Feiten
moetenzijn en U deze wilt gebruiken voor een National Hot Rod (…).
2.Procesverloop
kanzijn aan de door [betrokkene 1] genoemde oorzaken, maar dat zijn betoog erop neerkomt dat dit niet de (meest waarschijnlijke) oorzaak
hoeftte zijn. Er kunnen, zo schrijft [betrokkene 2] in zijn door het hof in rov. 2.18 van het tussenarrest van 24 juni 2014 geciteerde schriftelijke verklaring, ‘allerlei problemen met een motor’ bestaan die ‘uiteindelijk tot een smeringsprobleem of lagerschade kunnen leiden’ en bij een optredende schade is ‘vaak niet of nauwelijks vast te stellen wat uiteindelijk de oorzaak van het stuklopen is geweest.’
3.Inleiding
tegenbewijs mag leveren. Nu tegen dat oordeel geen klacht is gericht, moet dat verder blijven rusten.
4.Behandeling van de klachten
0.1betoogt – kort samengevat – dat, voor zover het Hof in rov. 4.9 heeft bedoeld dat uit het partijdebat volgt/kan worden afgeleid dat partijen ervan uitgaan dat [eiser] werd toegestaan om met door [verweerder] ingebouwde drijfstangen deel te nemen aan races, zulks blijk geeft van een ontoereikend gemotiveerd en daarmee onbegrijpelijk oordeel. Onder verwijzing naar vindplaatsen in processtukken in feitelijke instanties wordt aangevoerd dat [eiser] nimmer heeft gesteld dat NHRRG toestemming heeft gegeven voor het gebruik van de litigieuze drijfstangen.
daaromaan de races mocht deelnemen. Daarvan uitgaande, is inderdaad niet goed duidelijk waarom dan toch geen sprake zou zijn van non conformiteit wanneer deze verwachting werd beschaamd, zoals het Hof in rov. 4.11 aanneemt. Maar het kost veel moeite om een toereikende klacht hierover in het onderdeel te lezen, nog geheel daargelaten dat niet aanstonds duidelijk is wat het belang van deze kwestie is nu de koper aan races
heeftdeelgenomen en niet is vastgesteld dat hij bij één of meer races is geweigerd.
onderdeel I.4zou het Hof met zijn oordeel in rov. 4.9 en 4.11 beoogd hebben te expliciteren dat [eiser] , “gezien de “tenzij” van art. 6:265 BW Pro”, geen recht zou hebben op ontbinding als hij niet in het hem opgedragen bewijs zou slagen.
middel IIgaat een vrij uitvoerige inleiding vooraf. Daarop volgen vijf klachten die alle zijn gericht tegen rov. 2.2-2.7 van het tussenarrest van 24 juni 2014.
middel III.