ECLI:NL:PHR:2016:902
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregeling wegens toerekenbare tekortkomingen en bedreigingen
De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling van verzoeker tussentijds beëindigd op grond van toerekenbare niet-nakoming van verplichtingen en het laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden, zonder toekenning van een schone lei. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd en vastgesteld dat verzoeker herhaaldelijk zijn informatieplicht heeft geschonden, geen deugdelijk plan had om de schulden in te lopen en ernstige bedreigingen heeft geuit jegens de bewindvoerder.
Verzoeker kwam tijdig in cassatie, maar het cassatiemiddel richt zich niet tegen alle gronden van het hof, met name niet tegen de bedreigingen die een zelfstandige beëindigingsgrond vormen. De Hoge Raad concludeert daarom tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
Het hof oordeelde dat verzoeker onvoldoende medewerking heeft verleend, ondanks zijn lichamelijke en psychische problematiek, en dat hij te laat een nieuwe beschermingsbewindvoerder heeft aangevraagd. Het ontstaan van bovenmatige schulden en het ontbreken van een concreet plan van aanpak waren eveneens zwaarwegende redenen voor beëindiging.
Daarnaast is het agressieve en bedreigende gedrag van verzoeker jegens de bewindvoerder een zelfstandige grond voor beëindiging van de regeling. De Hoge Raad bevestigt dat dergelijk gedrag kan duiden op het ontbreken van de vereiste medewerking, wat de beëindiging rechtvaardigt.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, waarmee de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling definitief blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling definitief blijft.