Conclusie
1.Voorgeschiedenis
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“dat appellant een bovenmatige nieuwe schuld heeft laten ontstaan die niet voor het einde van de looptijd van de WSNP kan worden ingelopen.”De par. 5 t/m 10 staan in het teken van de geldschuld die jegens de gemeente Maastricht is ontstaan. In par. 11 wordt slechts gerefereerd aan de opmerking van de bewindvoerder op de zitting van 3 maart 2016 bij het hof
“dat hij –[de bewindvoerder] –
niet de indruk heeft dat appellant iets voor de gemeente verborgen heeft willen houden.”Voor zover het thema wordt aangesneden dat het niet nakomen van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling slechts een grond voor beëindiging van die regeling kan opleveren indien van dat niet-nakomen een verwijt valt te maken – zie par. 12 van het beroepschrift – geschiedt dat alleen in verband met het laten ontstaan van bovenmatige schulden. Dit blijkt met name uit par. 13, waar in de eerste volzin wordt opgemerkt:
“Appellant bepleit dat deze maatstaf ook moet gelden voor het laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden.”