Conclusie
Voorgeschiedenis
( [1] )Ook het hof acht in zijn arrest d.d. 21 juni 2016 verzoekster niet-ontvankelijk in dat verzoek. Het hof stelt daartoe vast dat ook in appel nog steeds een met redenen omklede verklaring ontbreekt dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, dat artikel 287 lid 2 Fw Pro aan de rechter slechts de ruimte biedt om een schuldenaar een termijn van ten hoogste één maand te geven voor het alsnog aanleveren van de verklaring en dat die termijn niet haalbaar is te achten, mede gelet op het verzoek van verzoekster zelf om de behandeling van het toelatingsverzoek voor zes maanden aan te houden ten einde de gemeente in de gelegenheid te stellen om het minnelijk traject af te ronden.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
( [2] )Bij deze juridische stand van zaken kan de nadere onderbouwing van de klacht met een verwijzing naar het belang van verzoekster om op de voet van artikel 287b Fw een verdere opschorting van het ontruimingsvonnis te verkrijgen verzoekster niet baten.
( [3] )Daaraan wordt vervolgens de conclusie verbonden dat het oordeel (van het hof) dat verzoekster niet-ontvankelijk is, onjuist althans onbegrijpelijk is. Waarom dat het geval zou zijn, wordt niet (voldoende) duidelijk gemaakt. Het beroep op wat verzoekster heeft gesteld kan derhalve de klacht ook niet doen slagen.