Conclusie
Onderdeel1 bestaat uit twee subonderdelen.
Subonderdeel 1richt zich tegen rov. 3.8.3. In het subonderdeel wordt in de eerste plaats betwist dat [verzoekers] onvoldoende informatie hebben verstrekt. Voorts wordt opgemerkt dat het hof niet heeft aangegeven waar de grens ligt tussen voldoende en onvoldoende informatie. Verder wordt aangevoerd dat van [verzoekers] niet kan worden verlangd dat zij meer informatie aan de bewindvoerder toesturen dan deze nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. De taak van de bewindvoerder is het verkrijgen van een zo hoog mogelijke opbrengst voor de crediteuren en niet het verkrijgen van zoveel mogelijk informatie van de saniet. Betoogd wordt dat [verzoekers] in voldoende mate aan hun informatieplicht hebben voldaan. In het
tweede subonderdeelwordt aangevoerd dat uit artikel 316 Fw Pro volgt dat de bewindvoerder een actieve taak heeft die zich niet verdraagt met het passief afwachten van de aanlevering van informatie door de saniet. Volgens het subonderdeel heeft de bewindvoerder onvoldoende actie ondernomen om informatie te verkrijgen.
tweede onderdeelwordt betoogd dat het hof ten onrechte heeft nagelaten in te gaan op het door [verzoekers] in het hoger beroepschrift gevoerde verweer dat voor hen niet duidelijk is hoe de boedelachterstand tot stand is gekomen. Aangevoerd wordt dat de bewindvoerder in zijn taak is tekortgeschoten.
Onderdeel 3richt zich tegen de vaststelling van het hof in rov. 3.8.4 dat [verzoekers] bovenmatige schulden hebben laten ontstaan. Betoogd wordt dat het hof geen rekening heeft gehouden met het verweer van [verzoekers] dat de nieuwe schulden zijn ontstaan doordat [verzoeker 1] zijn onderneming op initiatief van de rechter-commissaris dan wel de bewindvoerder heeft beëindigd en hij dus door hun toedoen in de WW is gekomen. Ook het verweer dat de nieuwe schulden binnenkort weggewerkt zijn, is ten onrechte niet besproken.