ECLI:NL:PHR:2016:92

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 januari 2016
Publicatiedatum
15 maart 2016
Zaaknummer
14/03679
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt medeplegen bewezenverklaring voor softdrugsbezit en verwijst terug

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarbij verzoeker werd veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf wegens onder meer medeplegen van handel in grote hoeveelheden hasjiesj en hennep, en het aanwezig hebben van deze middelen in meerdere panden. Tevens was sprake van een verbeurdverklaring van een groot geldbedrag en inbeslagname van wapens.

Het hof baseerde de bewezenverklaring mede op verklaringen van een overleden getuige en aanvullend steunbewijs zoals afgeluisterde telefoongesprekken, observaties en vondsten bij medeverdachten. Verweer tegen het gebruik van de overleden getuige werd verworpen omdat voldoende aanvullend bewijs aanwezig was.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht het verweer verwierp voor de verkoop van hasjiesj (feit 2), maar stelt dat de bewezenverklaring en motivering voor medeplegen van het aanwezig hebben van softdrugs op 27 november 2012 (feit 3) onvoldoende is. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor dat onderdeel en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.

De overige onderdelen van het cassatieberoep worden verworpen. De Hoge Raad benadrukt dat medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking vereist en dat de bewijsvoering daarvoor nauwkeurig moet worden gemotiveerd, wat hier voor feit 3 ontbreekt.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt bewezenverklaring medeplegen softdrugsbezit op 27 november 2012 en verwijst terug voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 14/03679
Zitting: 5 januari 2016
(bij vervroeging)
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verzoeker is bij arrest van 14 juli 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, (i) niet-ontvankelijk verklaard (evenals het Openbaar Ministerie) voor zover het betreft de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde met betrekking tot een vuurwapen en munitie, (ii) partieel vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde voor zover het betreft het witwassen van geld, (iii) vrijgesproken van het onder 5 tenlastegelegde en (iv) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden wegens 1. “als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd”, 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en – met betrekking tot een stroomstootwapen - 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”. Voorts is met betrekking tot feit 1 een totaalbedrag van € 587.363,98 verbeurdverklaard, de onttrekking aan het verkeer bevolen van een stroomstootwapen en de bewaring gelast van een vuurwapen en patronen. [1]
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de rolnummers 14/03679, 14/03815, 14/03911, 14/03912, 14/04141, 14/04142 en 14/04145. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Blijkens de bewijsvoering van het Hof draait het in deze zaak in het kort om het volgende. Verzoeker is eigenaar/beheerder van de coffeeshop [A] . [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] is daar beheerder, terwijl de broers, tevens medeverdachten, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] leidinggevenden c.q. baliemedewerkers zijn. Medeverdachte [medeverdachte 6] wordt gezien als afnemer van grote hoeveelheden hasjiesj.
5. Het
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het ten aanzien van feit 2 gevoerde verweer inhoudende dat de verklaringen van de niet door de verdediging bevraagde en overleden getuige [betrokkene 2] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen en dat met name ’s Hofs oordeel dat voldoende steunbewijs aanwezig is, onbegrijpelijk is. Als ik de toelichting op het middel goed begrijp, wordt daarbij enkel de overweging van het Hof betwist dat de verklaring van [betrokkene 4] en de vondst van een grote hoeveelheid hasjiesj tijdens een doorzoeking in de woning van [betrokkene 1] als ondersteunend bewijs kunnen dienen voor de verklaringen van [betrokkene 2] .
6. Ten laste van verzoeker is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 19 juli 2012 tot en met 27 november 2012 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen telkens opzettelijk heeft verkocht grote hoeveelheden hasjiesj, in elk geval van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
7. De bewezenverklaring van onder meer dit feit steunt op de bewijsmiddelen 1 tot en met 39, zoals weergegeven in de aanvulling op het arrest.
8. Het Hof heeft het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

“Vidgen-verweer

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 betoogd dat - kort gezegd - de bewezenverklaring van dit feit ‘solely and decisively’ is gebaseerd op de verklaringen van [betrokkene 2] . Nu deze getuige is overleden en niet meer kan worden gehoord en van compenserende waarborgen geen sprake is, dient zijn verklaring van bewijs te worden uitgesloten en moet verdachte van dit feit worden vrijgesproken.
Naar het oordeel van het hof steunt de bewezenverklaring niet slechts op de verklaringen van [betrokkene 2] , maar wordt de betrokkenheid van verdachte bij feit 2 bevestigd door ander bewijsmateriaal. Niet alleen hebben afgeluisterde telefoongesprekken, observaties door de politie en de ontdekking van hasj bij medeverdachte Hollands steunbewijs opgeleverd, er zijn ook anderen dan [betrokkene 2] die belastend verklaren (bijvoorbeeld [betrokkene 4] die heeft verklaard dat met ‘het T-shirt van Zara’ hasj wordt bedoeld) en werd er bij de doorzoeking bij medeverdachte [betrokkene 1] een grote hoeveelheid hasj aangetroffen.
Een en ander leidt tot de slotsom dat de verklaringen van [betrokkene 2] voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Het hof verwerpt het verweer.”
9. Anders dan de steller van het middel wil, kan het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 4] (bewijsmiddel 12) wel degelijk worden aangemerkt als ondersteunend bewijs voor feit 2. [betrokkene 4] heeft blijkens dat bewijsmiddel immers verklaard dat hij ook wel “snor” wordt genoemd en dat met het t-shirt van Zara hasj wordt bedoeld, aanduidingen die blijkens de bewijsmiddelen regelmatig in gesprekken tussen de verdachten worden gebruikt, met name ook door verzoeker (bewijsmiddelen 9, 11, 13 en 29). Zo laat verzoeker op 19 juli 2012 in een afgeluisterd telefoongesprek met NNman 8126 aan deze weten dat hij net “een” (AG: Zara) aan “die snor” heeft gegeven en belt hij even later uit naar [betrokkene 5] met de mededeling dat “die snor” zo een plak komt brengen en dat [betrokkene 5] die aan [betrokkene 6] moet geven. Voorts wordt over de t-shirts van Zara ook op 19 september 2012 gesproken door een “NNman 1972” (bewijsmiddel 8) in een afgeluisterd telefoongesprek met [betrokkene 2] , waarna de verdachten in actie komen. In de daarop gevoerde telefoongesprekken op 20 september 2012 tussen [betrokkene 2] en verzoeker wordt de aanduiding “Zara” meermalen genoemd (bewijsmiddel 9). [2] [betrokkene 2] zegt dan tegen verzoeker: “Ik wilde je vertellen dat die gekke gebeld heeft. Die gekke, die gekke, uit Maastricht vriend. [3] Hij is gekomen, hij heeft gebeld en zei dit en dat. Hij zei: ik heb die Zara nodig. Hij heeft 30 nodig en een paar (anderen) willen grote hoeveelheden afnemen”. Verzoeker antwoordt: “Zara? Oke, is goed”. Uit een telefoongesprek tussen verzoeker en [betrokkene 2] van 20 september blijkt dat “hij” het over tien dagen wil hebben. Op 2 oktober 2012 vindt tussen [betrokkene 2] en verzoeker het volgende telefoongesprek plaats:
“ [betrokkene 7] zegt dat die gek, die Hollander net is gekomen. [betrokkene 7] zegt dat deze Zara wil hebben. [betrokkene 7] zegt dat “hij” (Hollander) gehaast is.
[betrokkene 7] : ik zei tegen hem “als jullie mij de papieren geeft, dan zal ik voor je halen”. Hij zei tegen mij “ik ga met je mee”, ik zei tegen hem geef mij eerst de papieren en dan gaan wij samen”.
[betrokkene 7] zegt dat “hij” (Hollander) met de auto is gekomen. [betrokkene 7] vraagt [verdachte] die ene te bellen. [betrokkene 7] zegt dat het daar gaat ophalen als het daar nog is. [verdachte] merkt op dat die ezel (Hollander) lang op hem hebben gewacht en dat hij het eerder had moeten zeggen.
[betrokkene 7] vraagt [verdachte] die ene te bellen. [betrokkene 7] zegt dat hijzelf een (ander) jongen gaat bellen. [verdachte] vraagt hoeveel “hij” wil hebben, en of ”hij” 30 wil hebben.
[betrokkene 7] : een doos (kist), ik weet niet of het 25 of 30 is, ja ja 30,30.
[verdachte] ik ga kijken, ik ga hem bellen, het is nu lang (geleden), of misschien zegt hij dat het al weg is, ik weet niet [betrokkene 7] : kijk maar en bel mij terug.
Vervolgens blijkt uit het proces-verbaal van stelselmatige observatie d.d. 2 oktober 2012 dat op die dag een ontmoeting plaatsvindt tussen [betrokkene 2] en medeverdachte [medeverdachte 6] met betrekking tot de aflevering van een partij hasjiesj. Ook de bij een doorzoeking bij [betrokkene 1] aangetroffen hoeveelheid hasjiesj (bewijsmiddel 2, [c-straat 1] ) kan als steunbewijs gelden voor zover [betrokkene 2] heeft verklaard dat [betrokkene 1] , die ten tijde van de bewezenverklaarde periode in coffeeshop [A] van verzoeker werkzaam was, werd ingeschakeld voor de verkoop en aflevering van hoeveelheden hasjiesj buiten de gedooghoeveelheden om. Ter adstructie haal ik de volgende twee gerelateerde telefoongesprekken tussen verzoeker en [betrokkene 1] op 4 augustus 2012 aan (bewijsmiddel 37):
“ [betrokkene 1] zegt dat hij morgen, om zeven uur moet werken. [verdachte] zegt dat het goed is en vraagt hem VIJF van die sterren mee te nemen. [betrokkene 1] zegt dat het goed is [verdachte] zegt niet die rondjes, maar die sterren [betrokkene 1] vraagt hem nogmaals hoeveel en [verdachte] zegt VIJF, dus tien van half [betrokkene 1] zegt dat het goed is. [verdachte] zegt dat ze het in principe pas maandag nodig hebben, maar dat hij het nu al meteen mee kan nemen.”
En:
“ [verdachte] : waar heb je dat ding van gisteren gedaan?
[betrokkene 1] : Euhh...is [medeverdachte 4] daar?
[verdachte] . Nee, [medeverdachte 4] is er niet, vandaar.
[betrokkene 1] : Wie is daar dan?
[verdachte] : [betrokkene 8] of [medeverdachte 3] ,
[betrokkene 1] : Geef mij maar [betrokkene 8] dan, ga ik het hem vertellen.
[betrokkene 1] Hallo [betrokkene 8]
: Ja
[betrokkene 1] : Jij weet toch waar die. waar die jointjes liggen achter, je weet toch waar?
[betrokkene 8] : Ja
[betrokkene 1] : Bij die blok, je weet toch die blok?
[betrokkene 8] : Ja, ja
[betrokkene 1] : Maar die blok ernaast.
[betrokkene 8] : De blok daarnaast ja
[betrokkene 1] : Zit in gele Jumbo-tas, dat moet je aan [betrokkene 9] geven.”
10. Naar het mij komt voorkomt heeft het Hof het in het middel genoemde verweer verworpen op gronden die deze verwerping kunnen dragen en acht ik het oordeel van het Hof dat ten aanzien van feit 2 voldoende steunbewijs aanwezig is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De stelling in de toelichting op het middel dat - nu de verdediging op de terechtzitting van het Hof niet de wens te kennen heeft gegeven [betrokkene 4] en [betrokkene 1] als getuigen te horen en aldus het steunbewijs te weerleggen of te ontzenuwen - het op de weg van het Hof zou liggen of hebben gelegen om deze personen ambtshalve als getuigen op te roepen, vindt naar mijn oordeel onder de omstandigheden van het onderhavige geval, zoals blijkend uit de bewijsvoering van het Hof, geen steun in het recht.
11. Het eerste middel faalt.
12. Het
tweede middelkeert zich met betrekking tot de feiten 2 en 3 tegen de bewezenverklaring van verzoekers rol als medepleger.
13. Naast het reeds hierboven weergegeven feit 2, is ten laste van verzoeker onder 3 bewezenverklaard dat:
“hij op 27 november 2012 te Utrecht en/of Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- (in een pand gelegen aan de [a-straat 1] te Utrecht) een hoeveelheid van ongeveer 276 gram hasjiesj, en
- (in een pand gelegen aan de [b-straat 1] te Utrecht) een hoeveelheid van ongeveer 9,2 kilo hasjiesj en 8,6 kilo hennep, en
- (in een pand gelegen aan de [b-straat 2] te Utrecht) een hoeveelheid van ongeveer 88 gram hasjiesj en 62 gram hennep, en
- (in een pand gelegen aan de [b-straat 3] te Utrecht) een hoeveelheid van ongeveer 8,9 kilo hasjiesj en 2,8 kilo hennep, en
- (in een pand gelegen aan de [b-straat 4] te Utrecht) een hoeveelheid van ongeveer 330 gram hasjiesj en 17,4 kilo hennep, en
- (in een pand gelegen aan de [c-straat 1] te Breda) een hoeveelheid van ongeveer 96 kilo hasjiesj,
zijnde hasjiesj en hennep, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
14. De bewezenverklaring van feit 3 steunt op de bewijsmiddelen zoals onder de nummers 40 t/m 58 opgenomen in de aanvulling op het arrest.
15. Het Hof heeft naar aanleiding van een door de verdediging gevoerd verweer het volgende overwogen:

“Medeplegen

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 en feit 3 voorts betoogd dat - kort gezegd - van medeplegen geen sprake kan zijn gelet op verdachtes langdurige verblijf in Marokko in de tenlastegelegde pleegperiode en zijn weinig prominente en actieve rol in het geheel.
Verdachte heeft in eerste aanleg verklaard dat hij eigenaar van de coffeeshop ‘ [A] ’ was en bepaalde wat er in de coffeeshop gebeurde. Wanneer hij in Nederland was, was hij ook aanwezig in de coffeeshop. Wanneer hij in Marokko verbleef, hield [betrokkene 2] voor hem een oogje in het zeil. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er meerdere telefonische contacten zijn geweest waarbij verdachte opdrachten geeft met betrekking tot de handel in hasj. Ook terwijl verdachte in Marokko verbleef, was er telefonisch contact tussen verdachte en [betrokkene 2] waarbij de coffeeshop en de drugshandel ook anders dan louter informatief besproken werden.
Een en ander maakt dat naar het oordeel van het hof sprake is geweest van een dermate nauwe en bewuste samenwerking tussen de verschillende personen en verdachte, dat verdachte als medepleger van het tenlastegelegde feit kan worden aangemerkt. Dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit (grotendeels) in Marokko verbleef doet aan het vorenstaande niet af. Gelet op de organiserende en bepalende rol van verdachte hoeft het niet lijfelijk aanwezig zijn niet in de weg te staan aan een bewezenverklaring voor het medeplegen van deze misdrijven.
Het hof verwerpt het verweer.”
16. Wat betreft feit 2: uit de gebezigde bewijsmiddelen kan zonder meer worden afgeleid dat verzoeker in de periode van 19 juli 2012 tot en met 27 november 2012 nauw betrokken is geweest bij de verkoop van hoeveelheden hasjiesj, buiten de gedoogvergunning om. In zoverre faalt het middel.
17. Dat ligt denk ik anders bij feit 3. Op 27 november 2012 vonden op de genoemde adressen doorzoekingen plaats en werden daar de vermelde hoeveelheden hasjiesj en hennep aangetroffen. Op dat moment verbleef verzoeker kennelijk met vakantie in Marokko.
18. In de gebezigde bewijsmiddelen kan ik ten aanzien van de op 27 november 2012 bij verzoeker en anderen thuis gevonden soft drugs geen medeplegerschap van verzoeker ontwaren. Ik merk daarbij op dat [a-straat 1] de eigen woning van verzoeker is en dat de bewijsmiddelen geen antwoord geven op de vraag wie nog meer gezegd kan of kunnen worden de hoeveelheid van ongeveer 276 gram hasjiesj aanwezig te hebben gehad. Nu zou daar misschien nog over heen te stappen zijn, door verzoeker als pleger aan te merken. Belang bij cassatie zou hij dan in dat beperkte verband niet hebben gehad. Maar ook aangaande de andere concrete hoeveelheden hasjiesj en hennep blijkt niet van enige directe betrokkenheid van zijn kant. Zou verzoeker bijvoorbeeld daadwerkelijk weet hebben gehad van de aanwezigheid op 27 november 2012 van ongeveer 88 gram hasjiesj en 62 gram hennep aan de [b-straat 3] in Utrecht? Dit is het woonadres van [medeverdachte 1], die bovendien volgens de verklaring van [betrokkene 2] (afgelegd op 29 november 2012) met name verantwoordelijk was voor de gang van zaken in de coffeeshop toen verzoeker een tijdje met vakantie was (bewijsmiddel 4) en die volgens de verklaring van leverancier [betrokkene 12] gedurende vijf jaren de contactpersoon was voor de leveringen van 2 tot 5 kilo wiet per keer (bewijsmiddel 2).
19. Op zichzelf is de overweging van het Hof juist – ik formuleer het zelf even in abstracto - dat vanwege de organiserende en bepalende rol van een verdachte diens “niet lijfelijk aanwezig zijn” niet aan medeplegen in de weg hoeft te staan. Maar dat verzoeker in de hoedanigheid van leidinggevende/eigenaar van coffeeshop [A] gedurende een bepaalde periode als deelnemer aan een criminele organisatie kan worden aangemerkt (zoals onder 1 bewezenverklaard), brengt uiteraard niet zonder meer mee dat hij (ook) als medepleger bij de concrete hoeveelheden softdrugs die op 27 november 2012 bij anderen thuis werden aangetroffen betrokken was. Gelet op het arrest van Hoge Raad 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis [4] moet de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd zijn, dienen in afwijkende of bijzondere situaties in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of daadwerkelijk zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest, en rust op de rechter de taak om in het geval dat hij tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Aan deze eisen voldoet de bewijsvoering van het Hof in de onderhavige zaak ten aanzien van feit 3 naar mijn inzicht niet.
20. Het tweede middel slaagt mitsdien voor zover het betrekking heeft op feit 3.
21. Het eerste middel faalt, evenals het tweede middel wat betreft feit 2. Het eerste middel en het tweede middel kunnen in zoverre worden afgedaan op de voet van art. 81, eerste lid, RO. Voor zover middel 2 ziet op feit 3, is het terecht voorgesteld.
22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch alleen ter zake van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Dit laatste omdat het desbetreffende beslag in verband staat met de door de Rechtbank gegeven deelvrijspraak ter zake waarvan verzoeker en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zijn verklaard in het hoger beroep.
2.Ook bezigt [betrokkene 2] die term in zijn telefoongesprek met NNman7795 (eveneens bewijsmiddel 9).
3.Dit is blijkens de stukken van het geding medeverdachte [medeverdachte 6] . Zie bijvoorbeeld het proces-verbaal van stelselmatige observatie d.d. 2 oktober 2012 (bewijsmiddel 10) en het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 7).
4.Zie ook HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637, NJ 2015/391.