Conclusie
Chiemsee–arrest [1] van het Hof van Justitie van (toen nog) de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG, nu Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna: HvJ EU). Partijen strijden over de juiste uitleg van de in dit arrest gegeven criteria voor de “Freihaltebedürfnis” van zulke aardrijkskundige aanduidingen. Foralways leest hierin dat moet worden vastgesteld dat een verband bestaat of kan bestaan tussen de
intrinsieke kenmerkenvan de categorie waren of diensten en de plaatsnaam. Volgens Quilate klopt dat niet en heeft het Haagse hof op juiste wijze geoordeeld dat twee woordmerken L’ARGENTINA beschrijvend en dus nietig zijn. Volgens Foralways is de
Chiemsee-toets van het Haagse hof niet goed (onderdeel 1) en zijn essentiële stellingen ten onrechte gepasseerd (onderdeel 2). Ik meen dat sprake is van een
acte éclairévoor wat betreft de maatstaf uit
Chiemseeen dat het middel faalt.
2.Procesverloop
3.Juridisch kader beschrijvende geografische aanduidingen
Chiemsee-arrest heeft het HvJ EG onder meer aangegeven hoe geografische aanduidingen (de
Chiemseeis een meer in Beieren waar watersport wordt beoefend) in deze “sub c” bepaling zijn te plaatsen. Het in dit arrest opgetrokken stelsel houdt partijen in onze zaak verdeeld. De relevante overwegingen [7] (naar gebruik van het HvJ EG/HvJ EU zelf hierna geen rechtsoverwegingen, maar “punten” genoemd) zijn de volgende:
bijvoorbeelddoor een verband tot stand te brengen tussen de waar en een plaats met een positieve gevoelswaarde (ook punt 26).
kunnendienen als herkomstaanduiding etc. is de bedoeling dat ze worden vrijgehouden. Daarbij moet concreet worden getoetst [11] . In de Duitse literatuur wordt opgemerkt dat het niet moet gaan om een “theoretisch-spekulative” inschatting, maar een “realitätsbezogene Prognose” [12] .
Chiemseezo dat moet worden beoordeeld in welke mate de in aanmerking komende kringen bekend zijn met de geografische benaming, alsmede met de kenmerken van de daardoor aangeduide plaats en van de relevante categorie van waren, waarbij ook in het oog moet worden gehouden dat het verband tussen de betrokken waar en de geografische plaats niet noodzakelijkerwijs daarvan afhangt, dat de waar op deze plaats wordt vervaardigd. Hij ziet nog ruimte voor geografische aanduidingen als geldig merk bij tekens die niet met de betrokken waar in verband kunnen worden gebracht en dat ook redelijkerwijs niet voor de toekomst is te verwachten, zoals Hawaï voor ijs of Kenia voor verf [18] . Ströbele meent dat gesproken kan worden van een presumptie dat een geografische benaming als (vrij te houden) herkomstaanduiding geldt. Bij de beoordeling moet ook rekening worden gehouden met mogelijke “nicht auβerhalb der Wahrscheinlichkeit liegende zukünftige wirtschaftliche Entwicklungen” [19] . Gielen lijkt een iets minder strikte benadering voor te staan. In zijn IER-noot onder
Chiemseemerkt hij op dat de enkele (min of meer) theoretische mogelijkheid dat iemand het teken ooit zou kunnen gebruiken voor de waren niet voldoende is. In Kort Begrip [20] geeft hij aan dat de enkele mogelijkheid van een aardrijkskundige naam om naar geografische herkomst te verwijzen niet voldoende is en dat plaatsnamen die in de Benelux niet speciaal bekend zijn als productieplaats van waren waarvoor het merk bestemd is, deugdelijk zijn (als merk). Hij verwijst daarbij echter alleen naar Nederlandse jurisprudentie van ver voor het
Chiemsee-arrest en het eerste deel van deze positie is, als ik deze goed versta, naar mij voorkomt mogelijk niet helemaal in lijn met de strenge
Chiemsee-leer [21] .
Oldenburger [23] ,
Cloppenburg [24] ,
Passionately Swiss [25] ,
Castel [26] en
Monaco [27] . Ik zie niet dat daarin de door Foralways bepleite veel liberalere toets wordt onderschreven; ik ben ook niet op literatuur gestuit die deze visie ondersteunt (Quilate evenmin, vgl. s.t. onder 24 en Foralways komt er ook niet mee).
Chiemsee-toets geen sprake hoeft te zijn van een verband tussen intrinsieke eigenschappen van de waren (zoals we zullen zien in onderdeel 1 wordt daarmee bedoeld de kwaliteit van de waar en andere eigenschappen) en de plaatsnaam liggen ook in het volgende. Voor de “sub c” beoordeling is niet uitsluitend de herkomstfunctie van belang. Punt 36 leert dat het verband ook op andere aanknopingsfactoren kan berusten, bijvoorbeeld daar waar is bedacht en ontworpen. Het vereiste verband kan dus op verschillende manieren vorm krijgen, hetgeen niet wijst in de richting van intrinsieke kenmerken van de waar in de door Foralways bepleite zin. In het verlengde hiervan is volgens mij ook onjuist dat het moet gaan om een verband met (eigenschappen van) de hele categorie van waren. Die gedachte uit het cassatiemiddel zou impliceren dat alleen in situaties die vergelijkbaar zijn met beschermde oorsprongsbenamingen, zoals Champagne, een behoefte aan “vrijhouding” zou bestaan. De verwijzing in punt 32 naar de
categorievan waren is volgens mij niet bedoeld om aan te duiden dat gekeken moet worden naar een hele categorie. Een merkinschrijving ziet nou eenmaal op waren of diensten die in bepaalde klassen zijn ingedeeld voor administratieve doeleinden en kennelijk is in punt 32 bedoeld dat
diebetreffende waren of diensten van de (pretense) merkhouder in ogenschouw moeten worden genomen.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Chiemsee-arrest voor het oordeel dat een geografische aanduiding niet als merk kan dienen:
- het publiek een verband moet leggen tussen enerzijds de
- waarbij het draait om “intrinsieke kenmerken van de betreffende categorie van waren, te weten de kwaliteit en andere eigenschappen” en het enkele feit dat de waren daar zijn geproduceerd, ontworpen of bedacht niet volstaat;
- het vereiste dat redelijkerwijs een verband te verwachten is ziet op “een verwachting die gebaseerd wordt [op] reeds nu bestaande kwaliteiten of eigenschappen”;
- pas sprake is van een kenmerk van de aangeduide plaats, als deze bijvoorbeeld door natuurlijke gesteldheid, of door de aanwezigheid van een bijzondere concentratie van talent, traditie of een gespecialiseerde tak van nijverheid of landbouw, of doordat zij een marktcentrum is voor de betrokken categorie van waren, iets toevoegt aan de verwachtingen omtrent de kwaliteit of eigenschappen van de waar;
- van belang is dat de betrokken kringen bekend zijn met de relevante kenmerken van de waren en plaats, of dat redelijkerwijze te verwachten is dat zij in de toekomst een dergelijk verband leggen.
Chiemsee.Wat Foralways hier volgens mij in wezen probeert te doen met het verlangen van een
intrinsiek verbandis het tot
toetsverheffen van de in
Chiemseepunt 26 gegeven
ratiovoor de “Freihaltebedürfnis” (als gezegd tweeërlei ratio voor “vrijhouding”: kwaliteitswaarborg/duiding van andere eigenschappen van de waar of de mogelijkheid consumentenvoorkeur anders te beïnvloeden, bijv. door verband tussen waar en plaats met positieve gevoelswaarde). Dat is onjuist, want de uit te voeren toets staat helemaal niet in punt 26, maar in punt 31 met uitwerking in punten 32 en 33, zodat dit deel van onderdeel 1 uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Quilate ziet dat m.i. terecht ook zo [28] .
Chiemsee-arrest wordt weergegeven. Het hof vervolgt in rov. 11 met de constatering dat het teken L’ARGENTINA door het relevante publiek zal worden opgevat als een verwijzing naar het land Argentinië, onbetwist als geografische plaats bekend, terwijl ook vast staat dat zich geen “Mont Blanc”-situatie voordoet, maar juist het tegenovergestelde, namelijk dat kleding en schoenen hun herkomst in Argentinië kunnen hebben, waarbij volgens het hof niet gemotiveerd is betwist (en anderzijds door Quilate met producties onderbouwd) dat het Beneluxpubliek weet dat kleding en schoenen uit Argentinië kunnen komen (die producties zien op Argentinië als ontwerp- en modeland, de export en de bekendheid daarvan in het buitenland). Het hof acht dat samenstel vervolgens “in beginsel voldoende (...) om aan te nemen dat redelijkerwijs het vereiste verband tussen waren/diensten en de geografische benaming in de toekomst is te verwachten” – waarna het hof, in feite ten overvloede, nog een keer deze te voren in beschouwing genomen elementen puntsgewijs in veralgemeniseerde vorm samenvat in rov. 11 achter de drie liggende streepjes en het is deze samenvatting waar onderdeel 1 van het middel tegen aan hikt. Dat is niet terecht in mijn optiek, omdat het hof daaraan voorafgaand in wezen een meeromvattende toets heeft uitgevoerd, die ik zojuist heb geschetst. Deze samenvatting is ook gelet op het vervolg van rov. 11 meer een aanloop naar de overweging dat geen actueel verband nodig is, maar een redelijkerwijs te verwachten toekomstig verband kan volstaan, omdat anders punt 31 uit
Chiemseezinledig zou zijn. De verband-toets – op basis van de in rov. 10 juist weergegeven test uit
Chiemsee– is dan al gedaan in het eerste deel van rov. 11. Na een blik op buitenlandse rechtspraak in rov. 12 (met vooraf weer een soort samenvatting van de uit te voeren toets die dan volgens het hof “in beginsel” leidt tot blokkade van een teken als merk), vat het hof zijn excercitie in rov. 13 nog eens samen, uitmondend in het oordeel dat het in
Chiemseevereiste
verbandhier bestaat, zodat het woordmerk elk onderscheidend vermogen mist, waarbij het hof van belang vindt dat herkomst van kleding door (een aanzienlijk deel van) het relevante publiek van belang wordt geacht – een omstandigheid die de verbandstoets van het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk inkleurt.
Chiemsee-toets uit punten 31 en 32 [29] en is het in ieder geval onjuist om de ratio voor de “vrijhouding” uit punt 26 te promoveren tot (deel van de) toets, zoals het onderdeel op de 11e en 14e pagina van de cassatiedagvaarding duidelijk wel doet. Van de op de 14e pagina aangegeven drie “miskenningen” door het hof is geen sprake. Een verband vaststellen tussen intrinsieke kenmerken van (de hele categorie van) waren en de plaatsnaam is niet vereist, zo zagen we hiervoor al. Bovendien stelt dit onderdeel van de klacht nog dat “van een kenmerk van de aangeduide plaats (...) eerst sprake (is), als deze bijvoorbeeld door natuurlijke gesteldheid, of door de aanwezigheid van een bijzondere concentratie van talent, traditie of een gespecialiseerde tak van nijverheid of landbouw, of doordat zij een marktcentrum is voor de betrokken categorie van waren, iets toevoegt aan de verwachtingen omtrent de kwaliteit of eigenschappen van de waar.” (13e pagina cassatiedagvaarding). Dit komt uit de lucht vallen. Het is onduidelijk waar Foralways deze vergaande inperking op baseert; zij geeft het niet aan en het valt met geen mogelijkheid te lezen in
Chiemsee,zodat dit voor een onjuiste rechtsopvatting moet worden gehouden
.Het zou de deur wijd open zetten voor beschrijvende aardrijkskundige merken, hetgeen duidelijk niet de heersende leer is, omdat dat onvoldoende recht doet aan het geschetste algemene belang van “vrijhouding”.
Chiemsee-verband is aangenomen, anders dan door de rechtbank) en volgens mij helemaal niet onbegrijpelijk in dito zin [30] . Dit eerste onderdeel van onderdeel 1 faalt derhalve.
a contrarioals vereiste voor toelaatbaarheid als merk gesteld mag worden en dat geldt volgens de klacht ook voor de tweede categorie uit punt 33
Chiemsee. Volgens deze klacht is niet geoorloofd, zoals het hof heeft gedaan in rov. 11, om “uit de voorbeelden” van punt 33 van het
Chiemsee-arrest “de eigenlijke door het HvJ EU verschafte maatstaf te destilleren. Het Gerechtshof doet dat door de in rov. 33 genoemde omstandigheden om te keren – de betrokken kringen zijn wèl bekend met de geografische plaats en met het feit dat de waren daar hun herkomst kunnen hebben – en daarvan de rechtsregel te maken aan de hand waarvan het in rov. 11 en 13 de nietigheid als merk beoordeelt o.g.v. ar. 3, lid 1 sub c Rl en art. 2.28, lid 1 sub c BVIE” aldus de verwoording bij nadere uitwerking van deze klacht op de 15e pagina van de cassatiedagvaarding.
omdatgeen sprake is van een “Mont Blanc-geval”,
dus(
a contrario) het teken L’ARGENTINA in aanmerking komt voor nietigverklaring. Het hof heeft bij zijn uitvoerige motivering in rov. 7-13 (voor een deel hiervoor langsgelopen in 4.5) de juiste
Chiemsee-toets toegepast en zulke andere omstandigheden in ogenschouw genomen als de grootte en bekendheid van Argentinië bij het publiek, het feit dat aldaar daadwerkelijk sprake is van productie, ontwerp en export van kleding en schoenen en dat en in welke mate het relevante Beneluxpubliek daarmee bekend was.
Chiemsee-maatstaf heeft gehanteerd, zijn oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Nu het hof deze maatstaf (terecht) niet heeft gehanteerd, faalt deze klacht ook.
Chiemseesprake is van een “acte éclairé”. Bij aanbiedingsbrief geeft Foralways aan dat Uw Raad mogelijk naar aanleiding van onderdeel 1 prejudiciële vragen zou willen stellen aan het HvJ EU, voor welk geval zij “vanzelfsprekend” betrokken wenst te worden bij de formulering van de te stellen vragen. Omdat ik meen dat sprake is van een “acte éclairé” zie ik geen ruimte voor prejudiciële vragen, zodat ik dit verder laat rusten.
- het HvJ EG heeft in
- uit de Europese merkenrechtspraak blijkt dat niets eraan in de weg staat dat geografische aanduidingen die niet met de betrokken waren in verband worden gebracht en waarbij dat redelijkerwijs voor de toekomst ook niet is te verwachten, een geldig merk kunnen zijn (MvA 22, herhaald bij pleidooi in appel);
- de herkenning van het woord “l’Argentina” kan alleen relevant zijn voor art. 2.28 lid 1 sub c BVIE in samenhang met de kennis van het Beneluxpubliek van twee andere factoren, te weten zodanige kenmerken van het land Argentinië en de betrokken categorie van waren, te weten kleding en schoeisel, dat dit publiek die waren in verband brengt met Argentinië, dan wel dat dit redelijkerwijs in de toekomst te verwachten is (MvA 23 jo. 26-27, herhaald bij pleidooi in appel);
- ieder relevant verband tussen de kenmerken van de plaatsaanduiding en de kenmerken van de betrokken categorie van waren ontbreekt. Argentinië is niet meer dan ieder ander vergelijkbaar land een modeland en het staat ook niet als zodanig in de Benelux bekend. Er is geen sprake van zodanige kenmerken van het land dat te verwachten is dat in de toekomst anderen de aanduiding Argentinië zullen willen gebruiken op de door het HvJ EU in rov. 26 aangegeven geldige gronden (MvA 29 e.v. en 54; pleitnota 28-37);
- de
Chiemsee-leer. Ook zagen we bij de behandeling van onderdeel 1 al dat in rov. 11 geen sprake is van een
a contrarioredenering van het hof. Hier stuit onderdeel 2 op af.
5.Slot
Chiemsee). Deze klachten moeten als tardief worden gepasseerd, zodat ik die niet nader bespreek.