Conclusie
Achmea Schadeverzekeringen N.V.
1.Feiten en procesverloop
nietbestaat in de vergoeding van bedrijfsschade en andere gevolgschade van Beter Bed, een en ander op te maken bij staat. In rov. 2.12 van het vonnis heeft de rechtbank als volgt overwogen:
2.Bespreking van het niet-ontvankelijkheidsverweer van [verweerster 2]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
partijbedoelingis geweest bij het aangaan van de overeenkomst. Uit de rov. 3.3.4 t/m 3.3.8 zou blijken dat het hof is uitgegaan van een letterlijke c.q. taalkundige uitleg van art. 13 lid 1 MUV Pro, terwijl het bij zijn oordeelsvorming tevens rekening had behoren te houden met de partijbedoeling bij het aangaan en hanteren van de algemene voorwaarden. Uit de als essentieel aan te merken stellingen van [eiseres], genoemd in
subonderdeel 2.1.3onder a t/m e, zou blijken dat de partijbedoeling van [eiseres] was dat zij niet zou kunnen worden aangesproken voor: (i) andere schade dan schade aan de door haar vervaardigde staalconstructie, en (ii) schade waarvoor zij als opdrachtnemer niet verzekerd is.
aande door haar vervaardigde dakconstructie (de primaire prestatie, vgl. ’s hofs weergave in rov. 3.3.2 en 3.3.5) is dat laatste niet het geval geweest. Op de in subonderdeel 2.1.3 sub c aangegeven vindplaats (MvG, nr. 18) is niet onderbouwd dat en op grond van welke feiten en omstandigheden [verweerster 2] redelijkerwijs had moeten begrijpen dat (partijen het erover eens zijn dat) onder directe schade als bedoeld in art. 13 lid 1 MUV Pro uitsluitend de schade aan het door de opdrachtnemer vervaardigde gebouw zelf is te verstaan. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geconstateerd dat [eiseres] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan de in art 13 lid 1 MUV Pro genoemde ‘bedrijfsschade’ – zoals de complementaire stelling van [eiseres] luidt, zie MvG, nr. 18 – alle schade als gevolg
vanhet instorten van het dak zou omvatten (rov. 3.3.7).
subonderdeel 2.1.3 voortsmocht worden verweten niet te hebben gerespondeerd op de afzonderlijke onder a t/m e genoemde, door [eiseres] in de appelprocedure betrokken stellingen, faalt de klacht eveneens.
onder ahoudt in dat de rechtbank voorbij gaat aan de kern van de exoneratie, namelijk dat voor vergoeding alleen in aanmerking komt de schade waartegen opdrachtnemer verzekerd is dan wel redelijkerwijs, gezien de in de branche geldende gebruiken verzekerd had behoren te zijn. [13] Zoals gezegd, heeft het hof deze stelling besproken in rov. 3.3.8 en geoordeeld dat, nu de onderhavige schadeposten niet zijn aan te merken als bedrijfsschade of (andere) gevolgschade en [eiseres] overigens niet heeft gesteld dat de concrete schadeposten voor haar niet te verzekeren zijn ([eiseres] heeft slechts in algemene zin gesteld dat bedrijfsschade en gevolgschade voor haar niet te verzekeren zijn), het beroep van [eiseres] op beperking van de aansprakelijkheid op grond van art. 13 lid 1 Metaalunievoorwaarden Pro faalt. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.
onder bluidt dat het voor bedrijven zoals [eiseres], wegens de onvoorzienbaarheid ervan, ondoenlijk is om zich tegen bedrijfsschades en gevolgschades te verzekeren. [14] Ook deze stelling is door het hof in rov. 3.3.8 besproken, maar als zijnde irrelevant verworpen. De stelling
onder cvoert aan, kort gezegd, dat schade die een gevolg is van een defect aan het gebouw moet worden aangemerkt als gevolgschade, dat de gevorderde schade moet worden aangemerkt als bedrijfsschade en andere gevolgschade en dat deze schades voor [eiseres] niet verzekerbaar zijn. [15] Ook deze stellingen zijn door het hof besproken in rov. 3.3.7, waarin het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de aan de orde zijnde schadeposten het rechtstreeks gevolg zijn van de toerekenbare tekortkoming van [eiseres] en rechtstreeks verband houden met het instorten van het dak.
onder dhoudt verband met de verzekerbaarheid van schade, [16] hetgeen door het hof afdoende is besproken in rov. 3.3.8.
onder eheeft betrekking op het door [eiseres] gedane aanbod om te bewijzen dat de schadecomponenten
‘onder de noemer van de niet verzekerbare, uitgesloten schadecomponenten van bedrijfsschade en overige gevolgschade zijn te brengen.’ [17] Dat het hof hieraan voorbij mocht gaan, blijkt uit de bespreking van subonderdeel 2.1.5.
subonderdeel 2.1.4heeft het hof miskend dat [eiseres], gelet op de hiervoor bij subonderdeel 2.1.3 genoemde stellingen, onder ‘bedrijfsschade of andere gevolgschade’ verstaat alle schade die niet onder de schade aan het gebouw zelf valt. Hieruit volgt, zo vervolgt het middel, dat alle gevorderde schade niet verzekerbaar is, zodat onjuist en onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat [eiseres] niet heeft gesteld dat de concrete schadeposten voor haar niet te verzekeren zijn.
nog meer, A-G] door [eiseres] zou moeten worden vergoed. (…).’
subonderdelen 2.2.2 en 2.2.3bouwen voort op de betekenis die in het voorgaande subonderdeel aan de vaststelling in rov. 2.9 van het vonnis is toegekend en zijn daarmee tevergeefs voorgesteld.
onderdeel 2.3heeft geen zelfstandige betekenis.