ECLI:NL:PHR:2016:989
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming afdrachtplicht
In deze zaak heeft de rechtbank op verzoek van de bewindvoerder de schuldsaneringsregeling van verzoeker tussentijds beëindigd omdat hij zijn verplichtingen, met name de afdrachtplicht, niet is nagekomen. Het hof heeft deze beslissing in hoger beroep bekrachtigd, waarbij werd vastgesteld dat gedurende de gehele looptijd van de regeling geen enkele afdracht aan de boedel heeft plaatsgevonden, wat een kernverplichting betreft.
De bewindvoerder rapporteerde een boedelachterstand van ruim €27.000. Verzoeker stelde dat de berekening van het vrij te laten bedrag onjuist was en dat hij onvoldoende middelen had om aan alle noodzakelijke kosten te voldoen, maar deze stelling was niet onderbouwd. Het hof oordeelde dat verzoeker had moeten verzoeken om herberekening en dat zelfs bij een hogere vrij te laten bedrag de achterstand aanzienlijk zou blijven.
Verzoeker had ook betoogd dat de bewindvoerder loonbeslag had moeten leggen om de achterstand te voorkomen, maar het hof stelde dat het de verantwoordelijkheid van verzoeker zelf was om aan zijn verplichtingen te voldoen. Verder zag het hof geen reden om de regeling te verlengen, omdat geen onderbouwd plan was overlegd waaruit bleek dat verzoeker in staat zou zijn de achterstand in te lopen. De aanvraag voor beschermingsbewind werd onvoldoende geacht om dit te veranderen.
Het cassatieberoep van verzoeker werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden. Het hof had voldoende gemotiveerd geoordeeld dat verzoeker ernstig tekort was geschoten, en de beslissing om niet te verlengen was begrijpelijk gemotiveerd.
Uitkomst: De schuldsaneringsregeling is tussentijds beëindigd wegens niet-nakoming van de afdrachtplicht en het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard.