ECLI:NL:PHR:2016:990
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring van cassatieverzoek wegens ontbreken handtekening advocaat bij Hoge Raad
Verzoeker heeft op 22 juni 2016 een cassatieberoep ingesteld tegen arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarin de tussentijdse beëindiging van een schuldsaneringsregeling werd bekrachtigd. Het cassatieverzoekschrift was ondertekend door een advocaat die niet bevoegd is tot optreden bij de Hoge Raad. De griffie heeft verzoeker hierop gewezen en een termijn van twee weken gegeven om het verzuim te herstellen door een bevoegde advocaat een nieuw exemplaar te laten indienen.
Verzoeker heeft dit verzuim echter niet hersteld binnen de gestelde termijn. Hierdoor is niet voldaan aan de vereisten van artikel 426a Rv, dat voorschrijft dat een cassatieverzoekschrift door een advocaat bij de Hoge Raad moet worden ondertekend. De Procureur-Generaal concludeert daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en verklaart het cassatieverzoek niet-ontvankelijk, waarmee het beroep van verzoeker wordt afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: Het cassatieverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een handtekening van een advocaat bij de Hoge Raad en het niet herstellen van dit verzuim.