Conclusie
(hierna gezamenlijk Hollanda c.s. en
afzonderlijk respectievelijk HTIB, Emcemo en SIOT)
1.Feiten
2.Procesverloop
- de artikelen 3 en/of 28 en/of 29 van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind, en/of,
- de artikelen 14 en/of 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, en/of,
- de artikelen 13 en/of 14 en/of 15 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, en/of,
- artikel 26 van Pro de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en/of,
- artikel 2 van Pro het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en/of,
- artikel 3 van Pro de Richtlijn 77/486 over het onderwijs aan de kinderen van migrerende werknemers, en/of,
- artikel 15 van Pro het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers, en/of,
- artikel 9 van Pro het Associatiebesluit EEG/Turkije nr. 1/80, en/of,
- een andere regel van geschreven en/of ongeschreven recht,
Het geschil tussen partijen gaat om de vraag of er internationaalrechtelijke verplichtingen rusten op de Staat tot het faciliteren van onderwijs van de allochtone moedertaal en, zo ja, of het schenden van die verplichtingen een onrechtmatige daad oplevert jegens de personen wiens belangen door Hollanda c.s. worden behartigd (rov. 4.1). Op grond van art. 93 Grondwet Pro hebben alleen bepalingen van verdragen en van besluiten van internationale organisaties die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden, verbindende kracht nadat zij zijn bekend gemaakt (rov. 4.2). De rechtbank zal daarom beoordelen of de in het petitum genoemde verdragsbepalingen een ieder verbindende bepalingen zijn die rechtstreekse werking hebben en, zo ja, of de Staat in strijd heeft gehandeld met (één van) deze bepalingen (rov. 4.3).
“the first sentence of Article 2 contains in itself no linguistics requirements”.Meer recentelijk heeft het EHRM in een arrest van 22 november 2001 (appl. no. 62069/00) [1] verwezen naar het arrest van 23 juli 1968 en overwogen: “
Moreover, the Court recalls that the “drafting history of that Article” confirms that the object of the second sentence of Article 2 was in no way to secure respect by the State of a right for parents to have education conducted in a language other than that of the country in question”. Deze arresten hebben weliswaar betrekking op de vraag of recht bestond op onderwijs
ineen bepaalde taal, maar zijn – mede gelet op de algemene bewoordingen ervan – naar het oordeel van de rechtbank ook van toepassing op de onderhavige vraag of het artikel recht geeft op onderwijs
vaneen bepaalde taal. Hollanda c.s. worden dan ook niet gevolgd in hun andersluidende standpunt. De rechtbank heeft in de jurisprudentie van het EHRM geen aanwijzingen gevonden die wijzen in de richting van de door Hollanda c.s. bepleite uitleg van art 2 Eerste Pro Protocol. De door Hollanda c.s. voorgestane verplichting van de Staat kan ook niet worden afgeleid uit de aanbeveling van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (steeds rov. 4.17).
Grief 6richt zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot artikel 2 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. In hun toelichting op deze grief geven Hollanda c.s. niet aan waarom het oordeel van de rechtbank, dat uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat artikel 2 van Pro het Eerste Protocol geen recht op onderwijs van de moedertaal inhoudt, niet juist is. De enkele verwijzing naar artikel 2 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (…) volstaat niet. Datzelfde geldt voor de stelling van Hollanda c.s. dat het “onverantwoord” is van de Staat om geen gehoor te geven aan aanbevelingen die zijn gedaan door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa. Waar het om gaat is of een verplichting om onderwijs van de moedertaal aan te bieden volgt uit de door Hollanda c.s. aangehaalde verdragsbepalingen. Nu Hollanda c.s. niet onderbouwen waarom dat het geval is, en die verplichting ook overigens niet uit de genoemde bepalingen is af te leiden, faalt ook grief 6.”
3.Inleiding
vande moedertaal (dus niet: onderwijs
inde moedertaal) te faciliteren. Hollanda c.s. hebben zich in de procedure bij rechtbank en hof op een groot aantal internationaalrechtelijke regelingen beroepen ter onderbouwing van hun betoog dat een dergelijke verplichting inderdaad bestaat (zie onder punt 2.1 van deze conclusie). In cassatie is alleen de vordering voor zover deze is gebaseerd op art. 2 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: art. 2 EP Pro) nog van belang. De cassatiedagvaarding richt zich met drie onderdelen (met name) tegen het door het hof met betrekking tot dat artikel gegeven oordeel.
inen onderwijs
vaneen bepaalde taal (§ 2). Hierna zal het door Hollanda c.s. herhaaldelijk aangehaalde arrest van het EHRM van 12 november 2008
(Demir and Baykara v. Turkey)worden besproken (§ 3). Ten slotte zal nog kort worden ingegaan op de regeling van de OALT-wet (§ 4).
doet, maar tegelijkertijd wordt overheids
onthoudingopgedragen. [4]
(Kjeldsen, Busk Madsen and Petersen v. Denmark)overwogen:
(1) het (gelijke) recht op toegang tot bestaande onderwijsinstellingen,
(2) het recht op onderwijs in een bepaalde (lands)taal en
(3) het recht op officiële erkenning van bepaalde studies. [14] Voor de onderhavige zaak is uitsluitend van belang het recht op onderwijs in een bepaalde (lands)taal, waarop dan ook nader zal worden ingegaan. Het (gelijke) recht op toegang tot bestaande onderwijsinstellingen en het recht op officiële erkenning van bepaalde studies, zullen onbesproken blijven.
(Case relating to certain aspects of the laws on the use of languages in education in Belgium), dat ook bekend staat als ‘de Belgische taalzaak’. Het EHRM overwoog daarin het volgende:
In spite of its negative formulation, this provision uses the term "right" and speaks of a "right to education". Likewise the preamble to the Protocol specifies that the object of the Protocol lies in the collective enforcement of "rights and freedoms". There is therefore no doubt that Article 2 (P1-2) does enshrine a right.
It remains however to determine the content of this right and the scope of the obligation which is thereby placed upon States.
The negative formulation indicates, as is confirmed by the "preparatory work" (especially Docs. CM/WP VI (51) 7, page 4, and AS/JA (3) 13, page 4), that the Contracting Parties do not recognise such a right to education as would require them to establish at their own expense, or to subsidise, education of any particular type or at any particular level. However, it cannot be concluded from this that the State has no positive obligation to ensure respect for such a right as is protected by Article 2 of the Protocol (P1-2). As a "right" does exist, it is secured, by virtue of Article 1 (art. 1) of the Convention, to everyone within the jurisdiction of a Contracting State.
To determine the scope of the "right to education", within the meaning of the first sentence of Article 2 of the Protocol (P1-2), the Court must bear in mind the aim of this provision. It notes in this context that all member States of the Council of Europe possessed, at the time of the opening of the Protocol to their signature, and still do possess, a general and official educational system. There neither was, nor is now, therefore, any question of requiring each State to establish such a system, but merely of guaranteeing to persons subject to the jurisdiction of the Contracting Parties the right, in principle, to avail themselves of the means of instruction existing at a given time.
The Convention lays down no specific obligations concerning the extent of these means and the manner of their organisation or subsidisation. In particular the first sentence of Article 2 (P1-2) does not specify the language in which education must be conducted in order that the right to education should be respected. (…) However the right to education would be meaningless if it did not imply in favour of its beneficiaries, the right to be educated in the national language or in one of the national languages, as the case may be.
This provision does not require of States that they should, in the sphere of education or teaching, respect parents' linguistic preferences, but only their religious and philosophical convictions. To interpret the terms "religious" and "philosophical" as covering linguistic preferences would amount to a distortion of their ordinary and usual meaning and to read into the Convention something which is not there. Moreover the "preparatory work" confirms that the object of the second sentence of Article 2 (P1-2) was in no way to secure respect by the State of a right for parents to have education conducted in a language other than that of the country in question; indeed in June 1951 the Committee of Experts which had the task of drafting the Protocol set aside a proposal put forward in this sense. Several members of the Committee believed that it concerned an aspect of the problem of ethnic minorities and that it consequently fell outside the scope of the Convention (see Doc. CM (51) 33 final, page 3). The second sentence of Article 2 (P1-2) is therefore irrelevant to the problems raised in the present case. (…)
Such a refusal is not incompatible with the requirements of the first sentence of Article 2 of the Protocol (P1-2). In interpreting this provision, the Court has already held that it does not enshrine the right to the establishment or subsidising of schools in which education is provided in a given language. The first sentence of Article 2 (P1-2) contains in itself no linguistic requirement. It guarantees the right of access to educational establishments existing at a given time and the right to obtain, in conformity with the rules in force in each State and in one form or another, the official recognition of studies which have been completed, this last right not being relevant to the point which is being dealt with here. In the unilingual regions, both French-speaking and Dutch-speaking children have access to public or subsidised education, that is to say to education conducted in the language of the region.
(…)
.” [15]
Skender/Macedonia), zij het sterk samengevat. Daarmee kan er van worden uitgegaan dat dit bestendige jurisprudentie is. Het Hof overwoog als volgt:
1. Complaint under Article 14 of the Convention in conjunction with Article 2 of Protocol No. 1 that the applicant’s older daughter was refused access to a Turkish-speaking school on the basis of her father’s residence
(…)
(Kjeldsen, Busk Madsen and Petersen v. Denmark)nader toegespitst op de vrijheid van de lidstaten om te bepalen welke vakken op school worden onderwezen. In het arrest werd overwogen – in het kader van art. 2, tweede volzin, EP – dat het aan de lidstaten is om het onderwijscurriculum vast te stellen:
(Ponomaryov v. Bulgaria)door het EHRM herhaald dat er geen verplichting is om bepaalde onderwijsvoorzieningen in te stellen of te subsidiëren. Ook hier geldt als uitgangspunt de vrijheid van de lidstaten om te bepalen welke onderwijsvoorzieningen worden geboden. Wel moet er een effectief recht op toegang tot die bestaande onderwijsvoorzieningen bestaan:
(Cyprus v. Turkey)heeft het EHRM een schending van art. 2, eerste volzin, EP aangenomen vanwege het niet beschikbaar zijn van onderwijs in de Griekse taal voor Griekstalige kinderen. Het ging in deze zaak om Grieks-Cypriotische kinderen die in het door Turkije bestuurde noordelijke deel van Cyprus woonden. Deze kinderen konden daar wel basisonderwijs in het Grieks volgen, maar voortgezet onderwijs in het Grieks was in het noordelijke deel van Cyprus door de autoriteiten afgeschaft. De kinderen stonden daarmee voor de keuze om ofwel in het noordelijke deel van Cyprus voortgezet onderwijs in het Turks of Engels te volgen, ofwel hun opleiding in het zuidelijke (Griekse) deel van Cyprus voort te zetten. Het EHRM overwoog:
family lifevan ouders en kinderen. Bovendien werd het door de autoriteiten niet zonder meer toegestaan dat scholieren die naar het zuidelijke (Griekse) deel zouden verhuizen om daar onderwijs te volgen, na het bereiken van een bepaalde leeftijd terugkeerden naar het noordelijke deel. Zo werd het de kinderen wel erg moeilijk gemaakt om middelbaar onderwijs (in het Grieks) te volgen. De nadruk ligt in deze zaak dus op het niet
effectiefkunnen uitoefenen van het recht op onderwijs, doordat het onderwijs niet in een bepaalde taal wordt aangeboden.
(Oršuš and Others v. Croatia). [23] In deze zaak ging het om Roma-kinderen die de toegang tot het reguliere onderwijs in de Kroatische taal werd ontzegd, omdat zij wegens het onvoldoende beheersen van die taal niet voldeden aan de toegangseisen voor dat onderwijs. Zij werden in speciale klassen geplaatst. Het EHRM stelde in deze zaak voorop:
1. Whether there was a difference in treatment(…)
Catan e.a. vs. Moldavië en Rusland). [26] Transnistrië is een niet-erkende ‘entiteit’, die zich van Moldavië heeft afgescheiden en thans in de Russische invloedssfeer ligt. De Transnistrische autoriteiten voerden een wet in waarin was bepaald dat de Moldavische taal – het Moldavisch/Roemeens – voortaan diende te worden geschreven met het Cyrillische in plaats van het Latijnse alfabet. In deze kunstmatige combinatie, die nergens ter wereld wordt gebruikt, diende les te worden gegeven. Een vervolgstudie werd daardoor bemoeilijkt. Scholen waar toch werd onderwezen in het Latijnse alfabet, werden gesloten. Ook in andere opzichten werden die scholen dwars gezeten.
Het Hof oordeelt dat de gedwongen sluiting van de scholen en de daarop volgende intimidatie een inbreuk vormt op zowel het recht op toegang tot vroeger bestaande onderwijsinstanties als op het recht om onderwezen te worden in de nationale taal. Rusland wordt veroordeeld voor deze schending.
dat feitelijk geen effectieve toegang bestaattot het volgen van onderwijs, dan kan dit ertoe leiden dat strijd met art. 2 EP Pro ontstaat.
de factovoordeel gegeven aan de dominante landstaal en daarmee aan het deel van de bevolking dat die dominante taal spreekt. [30]
ineen bepaalde taal, dat wil zeggen dat de betreffende taal de instructietaal in het onderwijs was. In de onderhavige zaak gaat het echter om onderwijs
vande betreffende taal (Turks of Berbers). Hollanda c.s. willen immers bereiken dat aanspraak bestaat op (door of vanwege de Staat bekostigd) een of meerdere uren onderwijs in die talen, naast het onderwijs in de reguliere vakken.
vande betreffende taal. Het is aannemelijk dat als er geen aanspraak bestaat op onderwijs
ineen bepaalde (lands)taal, er ook geen recht bestaat op onderwijs
vandie taal. Dat laatste is ten opzichte van het recht op onderwijs in een bepaalde instructietaal (voor kinderen die een andere moedertaal hebben), van veel minder gewicht voor een effectieve uitoefening van het recht op onderwijs. Met andere woorden, wanneer er al geen recht bestaat op onderwijs
ineen bepaalde taal voor kinderen met een andere moedertaal, is moeilijk in te zien dat er wel een recht zou bestaan op onderwijs
vaneen bepaalde taal.
Bovendien is in de Belgische taalzaak in algemene zin overwogen dat art. 2, eerste volzin, EP, geen ‘linguistic requirement’ bevat. Dit raakt ook het onderwijs
vaneen bepaalde taal.
(Demir and Baykara v. Turkey). [31] In deze zaak ging het om de vrijheid van vakvereniging en het recht op collectieve onderhandelingen. Deze rechten liggen niet besloten in het EVRM, maar Demir en Baykara konden zich toch op die rechten beroepen. Dit omdat volgens het Hof moet worden aangenomen dat over het bestaan van deze rechten, die zijn neergelegd in het (op deze punten niet door Turkije geratificeerde) Europees Sociaal Handvest, internationale consensus bestaat. Het EHRM overwoog als volgt:
The practice of interpreting Convention provisions in the light of other international texts and instruments.
nationale rechtergeldt in het algemeen de verplichting om de volledige werking van het EVRM te waarborgen. [35] Daartoe dient de nationale rechter bijvoorbeeld nationale wetgeving waar mogelijk EVRM-conform uit te leggen. Het ligt dan ook voor de hand dat op het moment dat de nationale rechter geconfronteerd wordt met een vraag naar de uitleg van een bepaling van het EVRM – die door het EHRM nog niet beantwoord is – de nationale rechter bij de te geven uitleg zoveel mogelijk gebruik maakt van de interpretatiemethoden die ook het EHRM hanteert. Daarmee wordt immers de volledige werking van het EVRM gewaarborgd. [36] Dit brengt mee dat het mogelijk is dat ook de nationale rechter in voorkomende gevallen bij de uitleg van het EHRM acht slaat op een bestaande internationale consensus of een zich ontwikkelende internationale trend.
rechtop dergelijk onderwijs voor individuele burgers en hoe deze opmerking zich verhield tot internationale verdragen. In reactie hierop gaf de Staatssecretaris van OC&W aan, onder verwijzing naar de Belgische taalzaak, dat uit art. 2 EP Pro kan worden afgeleid dat een staat niet kan worden gedwongen om een bepaald soort onderwijs te verzorgen en dat er evenmin een positieve verplichting voor de Staat bestaat om tegemoet te komen aan linguïstische voorkeuren van ouders. De Staat heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid en vult die zelf in. [41]
4.Bespreking van de klachten
eerste onderdeelricht zich tegen rov. 9 van het hof en betoogt dat ’s hofs overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel gebrekkig is gemotiveerd. Het hof heeft namelijk miskend dat de vraag of het handelen van de Staat de toets van het EVRM kan doorstaan, wel degelijk door de civiele rechter mag – en zelfs moet – worden getoetst. In ieder geval heeft het hof de stellingen van Hollanda c.s. verkeerd gelezen, nu door Hollanda c.s. gemotiveerd is aangevoerd dat de afschaffing van de OALT-wetgeving strijdig is met art. 2 EP Pro.
afschaffingvan het OALT-onderwijs doorslaggevend is geweest dat niet bewezen is dat OALT-onderwijs bijdraagt aan een betere beheersing van de Nederlandse taal, terwijl het bij de
invoeringging om het belang van het leren van de moedertaal en het daardoor contact houden met eigen cultuur (‘taalbeleid is cultuurbeleid’). Het hof merkt in rov. 9 echter terecht op dat het niet de rol is van de civiele rechter om de deugdelijkheid te toetsen van de redenen die de wetgever ten grondslag heeft gelegd aan de afschaffing van de OALT-wetgeving. [45]
tweede onderdeelricht zich tegen rov. 24 van het hof en valt uiteen in drie subonderdelen.
subonderdeel C. [46] In dit subonderdeel wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de essentiële stelling van Hollanda c.s., dat er internationale consensus bestond op de in subonderdeel A genoemde wijze en dat die consensus tot 2004 in Nederland met de OALT-wetgeving ook realiteit is geweest. [47] Het hof had in ieder geval moeten begrijpen dat Hollanda c.s. met grief 6 hebben bedoeld te betogen dat deze essentiële stellingen van belang zijn voor de uitleg van art. 2 EP Pro.
ineen bepaalde taal (zie onder punt 3.1 tot en met 3.20 van deze conclusie) en ook niet op onderwijs
vaneen bepaalde taal (zie onder punt 3.21 tot en met 3.23), nu art. 2 EP Pro geen ‘linguistic requirement’ bevat.
kan, in
specifieke gevallen,een relevante omstandigheid zijn bij de uitleg van bepalingen van het EVRM en biedt zich dan aan als interpretatiemethode (zie hiervoor onder punt 3.24 tot en met 3.27). Waar de rechtspraak van het EHRM zo duidelijk richting geeft, is er geen aanleiding voor het gebruiken van deze interpretatiemethode.
subonderdeel Bwordt nog betoogd dat als het hof ambtshalve had onderzocht wat de internationale consensus was, het tot een andere uitleg van art. 2 EP Pro had moeten komen. Het hof had dan in ieder geval niet kunnen oordelen dat de verplichting om onderwijs van de moedertaal aan te bieden niet is af te leiden uit de genoemde bepalingen, aldus het subonderdeel. Deze klachten stuiten af op hetgeen hiervoor bij de bespreking van de subonderdelen A en C is opgemerkt en behoeven daarmee geen nadere behandeling.
derde onderdeelbouwt voort op de voorgaande onderdelen. Het deelt dan ook het lot van die onderdelen.