Conclusie
[verzoekster 1],
[verzoekster 2]
op zichzelf beschouwdvoldoende grond oplevert voor tussentijdse beëindiging.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) van twee verzoeksters. De rechtbank had op verzoek van de bewindvoerder de regeling beëindigd vanwege het niet nakomen van verplichtingen en het ontstaan van nieuwe schulden. Het hof heeft dit oordeel in hoger beroep bekrachtigd.
Het hof stelde vast dat de verzoeksters bovenmatige nieuwe schulden hadden laten ontstaan ter hoogte van ongeveer €9.456,81, waarvan slechts een deel was voldaan. De bewindvoerder had meerdere malen verzocht om een plan van aanpak voor het aflossen van deze schulden, maar een concreet en onderbouwd plan ontbrak. De verzoeksters hadden bovendien de kernverplichtingen van de WSNP ondertekend en waren bekend met de regels omtrent het niet laten ontstaan van nieuwe schulden en het betalen van boedelbijdragen.
Het hof wees ook het beroep van verzoeksters af dat de schulden niet verwijtbaar zouden zijn ontstaan, omdat deze stelling onvoldoende was onderbouwd. Daarnaast werd het verzoek tot verlenging van de schuldsaneringstermijn afgewezen vanwege het ontbreken van een concreet plan en de ernstige verwijtbaarheid van het gedrag van de verzoeksters.
De conclusie van de advocaat-generaal was dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a lid 1 RO. De tussentijdse beëindiging van de WSNP-regeling werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van verzoeksters wordt bevestigd en het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard.