Conclusie
eerste middel, dat zich richt tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot doodslag, wordt betoogd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat de personen die op de personenauto van het merk Mercedes-Benz hebben geschoten dezelfde personen zijn als de personen die in de bewijsmiddelen als inzittenden van een taxi van taxibedrijf [A] worden aangeduid. Daarmee laten de bewijsmiddelen volgens de steller van het middel de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid open dat niet de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] maar één of meerdere anderen de schoten hebben gelost.
voorafgaandaan de schietpartij in een taxi van taxibedrijf [A] zaten. Dat het hof uit de onderlinge samenhang van de bewijsmiddelen heeft opgemaakt dat dit wel het geval is geweest, is naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Het hof heeft voor het bewijs onder meer gebruikgemaakt van het proces-verbaal van de melding van de schietpartij aan de politie, waarin de schutters door [betrokkene 1] worden geïdentificeerd als de personen die zich in ieder geval
direct nade schietpartij in de betreffende taxi hebben bevonden (zie bewijsmiddel 2). Aangezien de verklaring van [betrokkene 1] op dit punt wel wringt met de als bewijsmiddel 3 gebezigde verklaring van de bestuurder van de Saab die inhoudt dat [betrokkene 1] bij zijn achtervolging van de schutters na afloop van de schietpartij op enig moment de verkeerde auto voor de auto van de schutters heeft gehouden, is het van belang dat het hof voor de identificatie van de schutters als de personen die in ieder geval
vlak voorde schietpartij uit de taxi stapten bijvoorbeeld ook steun kunnen vinden in de inhoud van bewijsmiddel 11. Dit laatste bewijsmiddel betreft de verklaring van [betrokkene 2] dat op het moment dat de Mercedes-Benz in de richting van de taxi reed door [betrokkene 1] tegen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ‘bukken, ze gaan schieten’ werd gezegd. Aangezien het hof in zijn bewijsoverwegingen daarnaast nog uitgebreid is ingegaan op het bewijs ten aanzien van de richting van de geloste schoten, het aantal gebruikte vuurwapens, het achterblijven bij de taxi van [betrokkene 3] en de beweging van de verdachte en [medeverdachte] van de taxi in de richting van de Bornsestraat, is het oordeel van het hof dat [medeverdachte] en de verdachte als schutters bij de schietpartij betrokken moeten zijn geweest voldoende begrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
tweede middelbevat de klacht dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte met het schieten op de Mercedes-Benz het (voorwaardelijke) opzet heeft gehad op de dood van alle drie de inzittenden van de Mercedes-Benz. De steller van het middel voert aan dat blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen ten aanzien van slechts één van de afgevuurde kogels kan worden vastgesteld dat deze de auto van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] daadwerkelijk heeft geraakt en dat er door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] dus kennelijk ook slechts één keer gericht op de betreffende auto is geschoten. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat reeds bij dit enkele gerichte schot de aanmerkelijke kans bestond dat alle drie de inzittenden van de Mercedes-Benz zouden omkomen, is de bewezenverklaring van het hof volgens de steller van het middel zonder nadere motivering niet begrijpelijk.