ECLI:NL:PHR:2017:1018

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 september 2017
Publicatiedatum
5 oktober 2017
Zaaknummer
17/03390
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 RvArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring wegens ontbreken ondertekening door advocaat bij de Hoge Raad

Verzoekster heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland. Het verzoekschrift was ondertekend door een advocaat, maar deze was geen advocaat bij de Hoge Raad, wat een vereiste is volgens art. 426a lid 1 Rv.

De Hoge Raad heeft verzoekster erop gewezen dat het gebrek binnen twee weken hersteld kon worden door een advocaat bij de Hoge Raad het verzoekschrift te laten ondertekenen. Verzoekster heeft om uitstel gevraagd vanwege vakantieperiode, maar dit is geweigerd omdat vaste rechtspraak geen verlenging toestaat.

Binnen de gestelde termijn is het gebrek niet hersteld. Daarom is niet voldaan aan de formele vereisten en is verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep. De omstandigheid dat het lastig was een cassatieadvocaat te vinden, doet hieraan niet af.

Uitkomst: Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet ondertekenen van het verzoekschrift door een advocaat bij de Hoge Raad en het niet tijdig herstellen van dit gebrek.

Conclusie

Zaaknr: 17/03390
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 1 september 2017
Conclusie art. 80a RO inzake:
[verzoekster]
tegen
[verweerster]
1. Bij beschikking van 13 april 2017 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, het namens verzoekster tot cassatie (hierna: verzoekster) ingediende verzet tegen de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 23 juni 2016 ongegrond verklaard. In genoemde beschikking van de voorzieningenrechter is verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland verleend van de beslissing van 27 juni 2014 gewezen door de 5e kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Dendermonde te Dendermonde (België) met referentienummer AR 13/1132/A.
2. Bij brief van 12 juli 2017 met bijlagen (hierna: het verzoekschrift), ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 12 juli 2017, heeft de advocaat van verzoekster namens verzoekster beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 13 april 2017 met zaaknummer/rekestnummer C/17/152680/HA RK 16-87.
3. Het verzoekschrift is ondertekend door de advocaat van verzoekster. Deze advocaat is evenwel geen advocaat bij de Hoge Raad.
4. Een medewerker dossierbehandeling van de Hoge Raad heeft de advocaat van verzoekster bij brief van 18 juli 2017 bericht dat het ingediende verzoekschrift niet op de juiste wijze was ingediend omdat het niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en voorts dat dit verzuim binnen twee weken na ontvangst van het verzoekschrift op de griffie kan worden hersteld door indiening van hetzelfde verzoekschrift met bijlagen ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
5. Bij brief van 26 juli 2017, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad op 26 juli 2017, heeft de advocaat van verzoekster de Hoge Raad verzocht een extra termijn van twee weken te verlenen om het verzuim te herstellen in verband met de moeilijkheid om in deze vakantieperiode een cassatieadvocaat te vinden.
6. De gerechtssecretaris van de Hoge Raad heeft de advocaat van verzoekster bij brief van
26 juli 2017 namens de rolraadsheer van de Hoge Raad bericht dat geen verder uitstel wordt verleend voor herstel van het verzuim, nu de termijn van twee weken voor herstel van het verzuim een advocaat bij de Hoge Raad te stellen op vaste rechtspraak berust en de termijn niet wordt verlengd op de grond dat een procespartij niet is geslaagd in het tijdige herstel van het verzuim.
7. Van de geboden mogelijkheid tot herstel van het gebrek is binnen de gegeven termijn geen gebruik gemaakt. Het niet herstellen van het gebrek in het verzoekschrift brengt mee dat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a lid 1 Rv (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:833, RvdW 2014/559) en dat verzoekster niet-ontvankelijk is.
De in de brief van de advocaat van verzoekster van 26 juli 2017 genoemde omstandigheid doet daaraan niet af.
8. De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G