Conclusie
Lego). Voor een succesvol beroep op slaafse nabootsing is nodig dat het nagebootste product een zeker onderscheidend vermogen heeft, anders gezegd een eigen plaats op de markt heeft (HR 21 december 1956,
NJ1960/414,
drukasbakken). Voor de beoordeling van het verwarringsgevaar is het uitgangspunt de totale indruk die bepalend is voor elk product en de beschouwing daarvan door een weinig oplettend kopend publiek dat de beide producten meestal niet naast elkaar ziet. De situatie op de Nederlandse markt is bepalend voor de vordering (HR 7 juni 1991,
NJ1992/392,
Rummikub). Deze maatstaven heeft ook de rechtbank vooropgesteld in rechtsoverweging 4.1 van het tussenvonnis van 4 juni 2014.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
Lego/Mega Brands-arrest [3] :
beide eisen niet is voldaan: “...All Round heeft noch voldaan aan de eerste voorwaarde, noch aan de tweede.”... Er is dus volgens het hof in de eerste plaats niet aannemelijk gemaakt door All Round dat het “Umfeld” waar Simstars zich in deze zaak op beroept bestaat uit slaafse nabootsingen. Over dit vereiste 1) overweegt het hof in rov. 4.6: “Haar uitwerking van de stelling dat de genoemde hangers slaafse nabootsingen zijn, is ten aanzien van Eligio Moneda, Desir, Dyki en MyWatch te summier” en gelet op het “zoekplaatje” uit rov. 4.5-4.7 in onderling verband begrepen (vgl. hierna in 2.8), is het hof uiteindelijk van oordeel dat de hangers van My iMenso, Desir, Dyki en MyWatch tot het “Umfeld” behoren, mogelijk die van Innerpower ook nog. In de tweede plaats is volgens het hof niet aan vereiste 2) voldaan, aangezien niet minstgenomen tegen al deze gestelde nabootsingen een begin van optreden is gemaakt.
iedereslaafse nabootsing wordt gesteld/aannemelijk gemaakt dat dat zo is. Dat vereiste heeft het hof naar ik meen niet gesteld, zodat onderdeel 1.1 in zoverre feitelijke grondslag mist. Het hof heeft volgens mij terecht geoordeeld dat op All Round de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van haar eigen stelling (bij pleidooi in hoger beroep [6] ) dat de hangers (niet van een ieder, maar) van Eligio Moneda, Desir, Dyki en MyWatch evenals de hangers van Innerpower en MY iMenso slaafse nabootsingen zijn van de Mi Moneda hanger en daarom geen van alle mogen worden betrokken bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van die Mi Moneda hanger. Anders dan All Round bij s.t. onder 4.6 aanvoert, impliceert dit naar mij voorkomt geen onevenredig zware belasting van haar procedurele positie, nu Simstars een groot aantal (obscure) marktverschijningen alleen maar noemt, waar All Round zich bij pleidooi zo goed als dat ging tegen heeft verweerd met de stelling dat dat ofwel slaafse nabootsingen zijn van haar hangers, of dat sprake is van voldoende afwijking. In wezen is dit immers een uitvloeisel van het gegeven dat stelplicht en bewijslast van onderscheidend vermogen bij een op onrechtmatige daad gebaseerde slaafse nabootsingsvordering rusten op degene die dit type o.d. aan zijn vordering ten grondslag legt, aldus m.i. terecht de s.t. zijdens Simstars onder 15: dat impliceert ook het bewijsrisico indien zo’n eiser zijn eigen positie op de markt probeert te onderbouwen met de stelling dat bepaalde producten niet tot het “Umfeld” gerekend kunnen worden, omdat dit slaafse nabootsingen zijn van zijn eigen product.
close readingvan rov. 4.5-4.7 levert bij mij op dat volgens het hof van de zes in rov. 4.5 (en hiervoor in 2.7 van deze conclusie) genoemde hangers vijf, althans vier tot het “Umfeld” gerekend moeten worden: de hangers van Innerpower [8] , My iMenso, Desir, Dyki en MyWatch, althans dezen zonder die van Innerpower, vgl. rov. 4.7 [9] .
onderdeel 1.7tegen het oordeel van het hof in rov. 4.8 dat All Round de gestelde populariteit van de Mi Moneda hanger en het marktleiderschap van All Round na betwisting ook niet zou hebben uitgewerkt, faalt bij gebrek aan belang. Dit richt zich tegen een overweging ten overvloede, die niet dragend is voor het oordeel dat de Mi Moneda hanger geen onderscheidend vermogen en geen eigen plaats op de markt had toen Simstars met de Nikki Lissoni hanger op de markt kwam in februari 2012.
onder 1.8faalt gelet op het voorgaande ook.
gelijkenis van de productengevaar voor verwarring ontstaat; in paragraaf 9 van zijn vertoog zegt hij: ‘Nu … produktverwarring de uitsluitende maatstaf is voor (het gevaar van) herkomstverwarring…’ Het lijkt er dus op dat hij ‘gelijkenis van producten’ als ‘productverwarring’ ziet. Volgens mij is dat een onjuiste benadering. Gelijkenis van producten is gewoon een vereiste om tot verwarringsgevaar te kunnen concluderen. Wanneer de consument twee producten met elkaar verwisselt, denkt dat het een hetzelfde is als het ander, dan kan dat het gevolg zijn van de omstandigheid dat beide producten identiek zijn, maar ook omdat de totaalindruk van beide sterk gelijkend is. In beide gevallen is er sprake van verwarring. Natuurlijk: wanneer ondanks gelijkenis maar door de ook aanwezige verschillen door de consument zal worden gedacht dat beide producten uit een andere herkomst komen, is er herkomstverwarring. Wat mij betreft, vallen beide vormen van verwarring onder de bescherming tegen slaafse navolging; de enige vraag is of er gevaar voor verwarring is, zoals artikel 10bis VvP het uitdrukt, ten opzichte van de, let wel,
inrichting,
warenof
werkzaamheidvan de concurrent;
Borsumij/Stenmante spreken van verwarring en niet van herkomstverwarring, want er ligt, zoals hij stelt, een beetje design- en een beetje herkomstverwarring in. Ik denk dat de Hoge Raad slechts één snoepje proefde en wel het snoepje van het gewone, door artikel 10bis VvP gedicteerde ruime verwarringsbegrip. Een deel van Quaedvliegs stellingen wordt veroorzaakt door wat hij noemt het stevig met forse en fijnere weerhaken in elkaar liggen van modellenrecht, merkenrecht en slaafse navolging, waardoor er een moeilijk te ontwarrenen nog moeilijker te fatsoeneren kluwen ontstaat. Ik deel die zorg niet. Wat het merkenrecht betreft, is Quaedvlieg inmiddels op zijn wenken bediend, omdat als gevolg van de rechtspraak van het Europese Hof het nu wel duidelijk is dat vormen van producten maar zelden als onderscheidingstekens worden gezien. Hier ligt dus volgens mij een heel mooie gelegenheid om bij gelijkenis met een product dat op zichzelf wel een eigen gezicht in de markt heeft, maar het voor merkenrechtelijke bescherming noodzakelijke onderscheidend vermogen ontbeert, bescherming tegen nodeloze verwarring te geven. Wat het modellenrecht betreft: dat is, zoals hiervoor uiteengezet, anders van karakter en leidt niet tot onontwarbare kluwen. Helbach bekritiseerde naar mijn oordeel terecht het standpunt van Quaedvlieg in een naschrift.
Gij zult niet verwarren door overeenstemmende producten te verhandelen en daardoor profi jt te trekken van andermans inspanningen.’ Volgens mij bestaat die norm weldegelijk: er mag geen gevaar voor verwarring worden veroorzaakt (zie artikel 10bis VvP).20 Het gaat echt te ver te veronderstellen dat er een algemene kopieervrijheid is. Volgens
Hyster Karry Kraneis er slechts vrijheid van kopie op punten die door bruikbaarheid en deugdelijkheid worden bepaald. Dat het in
Hyster Karry Kranealdus is geformuleerd: ‘nabootsing is slechts dan ongeoorloofd…’ (meer als uitzondering dus) komt door de zaak zelf en het arrest van het Arnhemse hof. Ik beweer echter dat er weldegelijk een zorgvuldigheidsnorm bestaat die inhoudt dat men niet (nodeloos) verwarring mag veroorzaken. Overigens zie ik niet dat in de rechtspraak in feite prestatiebescherming wordt gegeven.21 Wat de Hoge Raad bij het verlenen van beschermen tegen nodeloos verwarringwekkende gelijkenis doet, is naar mijn mening wel degelijk het geven van verwarringsbescherming zoals door artikel 10bis VvP gedicteerd.”
obiteraan te geven wat de juiste toets is bij verwarringsgevaar in de slaafse nabootsingsleer.
post sale confusionis verontachtzaamd in de hoftoets: het hof is uitsluitend uitgegaan van de consument die voor de aankoop van een hanger staat en niet óók van consumenten in de omgeving van de consument die een Nikki Lissoni hanger heeft gekocht. Het hof heeft daarmee miskend dat van gevaar van verwarring ook sprake kan zijn bij
post-sale confusion. Is dit niet miskend, dan is niet toereikend gemotiveerd, gelet op All Rounds stelling (die het Haagse hof in de eerdere zaak heeft onderschreven) dat de hanger gebruikelijk wordt gedragen met de voorzijde naar voren en met in de hanger een munt of schijf, zodat de achterkant van de hanger (met het webmotief) niet bepalend is voor de totaalindruk.
Rummikub-arrest [23] volgt dat bij de beoordeling van het verwarringsgevaar moet worden “uitgegaan van de totale indruk, die bepalend is voor elk (...) [product], en van de beschouwing door een weinig oplettend
kopendpubliek, dat beide produkten meestal niet naast elkaar ziet” (cursivering A-G). Het hof heeft deze maatstaf toegepast en is zodoende uitgegaan van een juist uitgangspunt in rov. 4.4, 4.9 en 4.10. Daarop strandt de rechtsklacht. De motiveringsklacht gaat ook niet op. Het hof heeft de stelling van All Round dat de achterkant van de hanger - het opengewerkte verbindingsdeel - niet bepalend is voor de totaalindruk in rov. 4.9 voldoende gemotiveerd verworpen [24] .
post-sale confusiondoctrine die we kennen uit het merkenrecht, (ook) wil toepassen in het kader van de slaafse nabootsingstoets. De merkenrechtelijke
post-sale confusiondoctrine is gestoeld op de bescherming van de herkomstgarantiefunctie van het merk [25] en het is de vraag of dit dogmatisch past in de slaafse nabootsingsleer [26] .
onderdeel 2.5en
onderdeel 3delen het lot van de hiervoor besproken klachten.