ECLI:NL:PHR:2017:1033

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 augustus 2017
Publicatiedatum
10 oktober 2017
Zaaknummer
15/05959
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 2 onder B Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling jeugdige voor opiumwetdelicten ondanks bewijs- en pleegperiodegeschil

De zaak betreft een jeugdige verdachte die werd veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van cocaïne in de periode van 10 april 2014 tot en met 18 november 2014 te Urk. De verdediging voerde onder meer aan dat de bewezenverklaring van de pleegperiode onvoldoende was gemotiveerd en dat de getuigenverklaringen onbetrouwbaar waren vanwege onrechtmatige bewijsgaring.

Het hof had vastgesteld dat de verdachte gedurende een deel van de periode vastzat, maar dat hij daarna weer actief was in de handel, gesteund op verklaringen van gebruikers en een fotoherkenning. Het hof had de verklaringen met de nodige behoedzaamheid gewogen en geen reden gezien om aan hun betrouwbaarheid te twijfelen.

De Hoge Raad oordeelt dat de middelen van cassatie niet tot een ander oordeel kunnen leiden en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk omdat hij onvoldoende belang heeft bij cassatie. De bewezenverklaring en motivering van het hof worden bevestigd, evenals de afwijzing van het bewijsverweer. De veroordeling tot jeugddetentie blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk in cassatie en bevestigt de veroordeling tot jeugddetentie.

Conclusie

Nr. 15/05959 J
Zitting: 29 augustus 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 16 december 2015 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, telkens wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van vijftien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Er bestaat samenhang met de zaken 16/03180P, 16/03832P en 16/03833P. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 (parketnummer 16-705899-14), meer in het bijzonder de pleegperiode, niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat het hof deze bewezenverklaring ontoereikend heeft gemotiveerd doordat het in de bewijsvoering conclusies trekt die in het licht van de bewijsmiddelen onbegrijpelijk zijn.
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:

16-705899-14hij in de periode van 10 april 2014 tot en met 18 november 2014 te Urk tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
6. Uit de desbetreffende bewijsmiddelen komt naar voren dat: - de bijnaam van de verdachte [verdachte] is; - de verdachte aan de hand van een foto door afnemers is herkend; - het hof kennelijk heeft vastgesteld dat de verdachte van 14 maart 2014 tot 10 april 2014 heeft vastgezeten (bewijsmiddel B betreffende parketnummer 16-705899-14), naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene 1] dat hij daarna nog bij de verdachte heeft gekocht; - de verklaring van [betrokkene 2] gerelateerd in het proces-verbaal van 15 december 2014 dat hij ongeveer een jaar bij de verdachte koopt (bewijsmiddel C), ook na diens detentie (het hof begrijpt van 14 maart 2014 tot 10 april 2014, bewijsmiddel D); - het relaas van de verbalisant in het proces-verbaal van bevindingen, waarin [betrokkene 3] verklaart dat de verdachte allang weer vrij was en alweer druk bezig was.
7. Het middel faalt evident in alle onderdelen.
8. Het
tweede middelklaagt dat het hof heeft verzuimd (genoegzaam) de redenen op te geven waarom het is afgeweken van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die de verdediging volgens de steller van het middel zou hebben ingenomen met betrekking tot de onrechtmatige bewijsgaring respectievelijk de onbetrouwbaarheid van de getuigenverklaringen.
9. Ook dit middel faalt evident. Zo is blijkens het proces-verbaal van ’s hofs terechtzitting van 2 december 2015 en de daaraan gehechte pleitnota geen onrechtmatig bewijsverweer gevoerd, maar enkel een verweer dat de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen in twijfel trekt. Op dat verweer heeft het hof in de zin van de wet toereikend gerespondeerd en wel op de volgende wijze:
“De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat hij in cocaïne en heroïne heeft gedeald in de periode van 10 april 2014 tot en met 18 november 2014. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van dit feit omdat de betrouwbaarheid van de voor de verdachte belastende verklaringen die gebruikers hebben afgelegd in verhoor bij de politie niet vast te stellen is vanwege de gemankeerde wijze - nader omschreven in de pleitnota van de verdediging - waarop die gebruikers door de politie zijn gehoord.
Het hof is van oordeel dat het door de verdachte en de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof acht de andersluidende lezing van de feiten door de verdachte niet aannemelijk geworden.
Het hof heeft de verklaringen die door de gebruikers zijn afgelegd bij de politie niet dan wel met de nodige behoedzaamheid gebruikt voor het bewijs. Het hof grondt het bewijs met name op de voor de verdachte belastende verklaringen die de gebruikers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben afgelegd bij de raadsheer-commissaris. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die verklaringen te twijfelen
Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het bewijsverweer van de verdachte en de verdediging.”
10. Ik stel mij op het standpunt dat de verdachte in het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard op de voet van art. 80a RO omdat de verdachte hierbij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft en/of omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG