ECLI:NL:PHR:2017:1037

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juli 2017
Publicatiedatum
10 oktober 2017
Zaaknummer
16/00285
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 SvArt. 434 SvArt. 257e SvArt. 588a SvArt. 45b Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring wegens onjuiste uitleg art. 408 Sv

De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter tot een gevangenisstraf van vijf weken. Het hof Amsterdam verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat de mededeling van de uitspraak op het GBA-adres aan een huisgenoot was uitgereikt en het hof dit als voldoende bekendheid van de uitspraak aan de verdachte beschouwde. De verdachte stelde echter tijdig hoger beroep in nadat hem de uitspraak persoonlijk was betekend.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door aan te nemen dat de mededeling aan een ander op het GBA-adres automatisch betekent dat de verdachte de uitspraak bekend is. Volgens art. 408 Sv Pro moet de einduitspraak de verdachte daadwerkelijk bekend zijn geworden, niet slechts bekend had kunnen zijn.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor herbehandeling. Hiermee werd bevestigd dat persoonlijke betekening van de uitspraak aan de verdachte noodzakelijk is voor het tijdig instellen van hoger beroep, tenzij andere omstandigheden de bekendheid aantonen.

De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukte de juiste interpretatie van art. 408 Sv Pro en verwees naar eerdere jurisprudentie ter onderbouwing van dit standpunt.

Deze uitspraak verduidelijkt de voorwaarden waaronder een verdachte in hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard wegens overschrijding van de termijn en benadrukt het belang van daadwerkelijke bekendheid met de uitspraak.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug wegens onjuiste uitleg van art. 408 Sv over bekendheid van de uitspraak.

Conclusie

Nr. 16/00285
Zitting: 11 juli 2017
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 13 januari 2016 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.B. Schmidt, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelklaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
Uit de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken, kan voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende worden opgemaakt:
(i) Blijkens een akte van uitreiking is de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting in eerste aanleg van 31 maart 2015 - inhoudende dat die dagvaarding op 17 februari 2015 uitgereikt aan een huisgenoot op het adres [a-straat 1] te [plaats].
(ii) De aantekening mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2015 houdt in dat verdachte bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 weken.
(iii) Blijkens een akte van uitreiking is een mededeling uitspraak van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2015 op 21 april 2015 uitgereikt aan een huisgenoot van de verdachte op het adres [a-straat 1] te [plaats].
(iv) Blijkens een akte van uitreiking is een mededeling uitspraak van het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2015 op 26 mei 2015 aan de verdachte in persoon uitgereikt.
(v) De akte instellen hoger beroep houdt in dat op 28 mei 2015 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen voormeld vonnis.
(vi) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 januari 2016 houdt onder meer in:
"De raadsvrouw reageert daarop als volgt:
Ik ga toch vragen mijn cliënt ontvankelijk te verklaren. Twee dagen nadat hij op de hoogte was geraakt van het vonnis is hij in hoger beroep gegaan."
(vii) De aantekening mondeling arrest van het gerechtshof Amsterdam van 13 januari 2016 houdt onder meer het volgende in:
"Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is bij vonnis op 31 maart 2015 bij verstek veroordeeld.
De mededeling uitspraak is op 21 april 2015 aan een ander op het vermelde adres, te weten het GBA-adres van de verdachte [a-straat 1] te [plaats], uitgereikt.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 28 mei 2015.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing
Het hof:
Verklaard de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep."
5. Art. 408 Sv Pro luidt:
"1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:
a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;
b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;
c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was;
d. de dagvaarding of oproeping binnen zes weken nadat door de verdachte op de voet van artikel 257e verzet is gedaan, rechtsgeldig aan de verdachte is betekend met inachtneming van artikel 588a en in eerste aanleg geen onvoorwaardelijke straf of maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan zes maanden;
2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.
3. Het tweede lid is niet van toepassing in geval van een verstrekking van een afschrift van het vonnis, als bedoeld in artikel 45b van de Overleveringswet.
4. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, dan is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing, tenzij
a. de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of
b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing."
6. Het hof heeft vastgesteld dat "de mededeling uitspraak (…) op 21 april 2015 aan een ander op het vermelde adres, te weten het GBA-adres van de verdachte [a-straat 1] te [plaats], [is] uitgereikt". Het Hof heeft, waar het overweegt dat de verdachte binnen veertien dagen na de uitreiking van de mededeling uitspraak, hoger beroep had dienen in te stellen, die uitreiking kennelijk aangemerkt als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is geworden, als bedoeld in art. 408, tweede lid, Sv. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Onvoldoende is immers dat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend kon zijn. [1]
7. De verdachte heeft op 28 mei 2015 hoger beroep ingesteld. Uit de gedingstukken blijkt dat de mededeling uitspraak op 26 mei 2015 aan verdachte in persoon is betekend. Die omstandigheid wijst er niet op dat de verdachte te laat hoger beroep heeft ingesteld.
8. Het middel slaagt.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7689, NJ 2010/247 en HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4355.