De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een taakstraf wegens verduistering van een gehuurde personenauto. De bewezenverklaring betrof de periode van 28 september 2014 tot en met 17 november 2014, waarin verdachte zich de auto wederrechtelijk had toegeëigend na afloop van de huurovereenkomst.
In cassatie werd aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat verdachte de auto als huurder onder zich had in de bewezenverklaarde periode, omdat de huur was beëindigd op 27 september 2014. De Hoge Raad oordeelde dat deze lezing onjuist was; het hof had terecht vastgesteld dat verdachte de auto na het einde van de huurperiode nog steeds als huurder onder zich had, omdat hij de auto niet had teruggegeven.
De klacht kon niet tot cassatie leiden en het beroep op grond van artikel 80a RO werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad bevestigde hiermee de eerdere veroordeling en de uitleg van de bewezenverklaring door het hof.