Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.4voert aan dat de in de geneeskundige verklaring en ter zitting vermelde feiten niet dermate sprekend zijn dat de rechtbank met een summiere motivering kon volstaan, mede gelet op hetgeen namens betrokkene ter zitting is aangevoerd ter betwisting van het gestelde gevaar. In het cassatierekest zijn deze klachten nader uitgewerkt (i) ten aanzien van het gevaar dat betrokkene zonder een rechterlijke machtiging maatschappelijk ten onder zal gaan en (ii) ten aanzien van het gevaar dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen zal oproepen.
Subonderdeel 1.5klaagt samengevat dat, ook al zou de rechtbank terecht hebben geoordeeld dat dit gevaar dreigt, nog steeds een afweging moet plaatvinden of de kans dat het gevreesde onheil zich verwezenlijkt zo groot is, respectievelijk of de gevolgen van het gevreesde onheil zo ernstig zijn, dat een vrijheidsbeneming voor de duur van zes maanden [1] gerechtvaardigd is. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank zich daaromtrent geen rekenschap gegeven, aldus de klacht.
subonderdelen 2.2 en 2.3(subonderdeel 2.1 bevat geen klacht). Deze klagen dat de rechtbank ten onrechte of op onbegrijpelijke gronden aanneemt dat de door haar benoemde deskundige [betrokkene 2] alles in het werk heeft gesteld om betrokkene persoonlijk te onderzoeken. Daarnaast wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is hoe de rechtbank zonder aanvullend psychiatrisch onderzoek heeft kunnen oordelen dat betrokkene in haar geestvermogens gestoord is, nu ook de geneeskundige verklaring niet aan de eisen voldoet omdat psychiater [betrokkene 4] betrokkene niet persoonlijk heeft gesproken en geobserveerd.