Conclusie
2.Bespreking van het cassatieberoep
subonderdeel I.1is dat innerlijk tegenstrijdig met het vastgestelde feit 1) dat Radio Dabanga uitzond vanuit Nederland via de korte golf en 2) [eiser] zijn reportages via internet naar FPU zond, opdat die in Nederland voor de Radio Dabanga-uitzendingen kon worden gebruikt.
subonderdelen I.3 en I.3.5is dit ook in die zin onbegrijpelijk, dat het hof hiermee ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de juiste kernstelling van [eiser] uit rov. 3.4 en een drietal door [eiser] overgelegde bewijsstukken - (i) een als prod. 11 bij MvG overgelegde verklaring van een collega van [eiser] ; (ii) een memorandum dat door 18 van [eiser] collega’s is ondertekend (rov. 2 onder (xiii)); en een verklaring van de Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties (rov. 2 onder (xii)) – hetgeen ook de op [eiser] gelegde stelplicht raakt en de motivering dat niet van studio-apparatuur is gebleken, aldus
subonderdeel I.3.6.
subonderdelenI.4-I.6 raakt gegrondbevinding van één of meer van de voorgaande klachten ook de voortbouwende overwegingen in rov. 3.5 t/m 3.7 en het dictum van het bestreden arrest.
subonderdeel I.3.1aangegeven stelling dat [eiser] in hoger beroep FPU heeft verweten een
ruimtete hebben ingericht in het HAND-kantoor die bij ontdekking kon wijzen op het bestaan van Radio Dabanga, waarbij [eiser] voor
“ruimte”soms
“studio”of
“kantoor(ruimte)”heeft gebruikt, en dat [eiser] daarbij
“met geen enkel woord [heeft] gesteld dat het hier gaat om een fysieke radiostudio, met bijbehorende en benodigde apparatuur en ander inventaris, van waaruit radio-uitzendingen werden verzorgd”. In voetnoten 22 en 24 van de cassatiedagvaarding verwijst [eiser] daartoe naar passages uit de gedingstukken. Bij het nalopen daarvan blijkt dat dat “met geen woord reppen” over een fysieke radiostudio grotendeels feitelijke grondslag ontbeert – althans dat bepaald niet onbegrijpelijk is dat het hof dat in die zin heeft opgevat. Daar stranden deze motiveringsklachten goeddeels op. Bij grieven onder 12 is sprake van
“een radiostudio/kantoorruimte van Radio Dabanga”, onder 13 van gevaar creëren
“door (fysiek) een kantoor/studio in te richten in Khartoem (in het pand van mensenrechtenorganisatie HAND)”, onder 14 gevolgd door
“deze studio”. Bij grieven onder 25 en 27 wordt gerefereerd aan een Job Description voor Studio Manager van FPU, wat volgens [eiser]
“wel duidelijk maakt, (...) dát er een studio was. En dat is juist het punt in deze zaak: het inrichten van een fysieke studio in Khartoem (...)”, onder 27 weer gevolgd door
“het inrichten van een studio door FPU in Soedan”en onder 68 door:
“Er had nooit een fysieke studio ingericht mogen worden in Khartoem, dat was simpelweg veel te gevaarlijk.”
“Ten onrechte heeft de rechtbank niet als vaststaand feit aangenomen dat FPU een studio had ingericht in het pand van mensenrechtenorganisatie HAND.”
“studio”,
“fysieke studio”en
“(fysieke) kantoor/studio”, die daar zou zijn
“ingericht”en niet slechts over “
een ruimte”. Bij repliek onder 25 heeft [eiser] het weliswaar inderdaad over een
“kantoor”gehad, maar op andere plaatsen bij repliek was dat ook al
“studio”; zo bijvoorbeeld onder 21
“waar radio Dabanga een studio/kantoor bleek te hebben”, onder 23
“office + studio”, en onder 24 weer
“studio”. Bij grieven onder 5 wordt ter adstructie van het bestaan van een studio verwezen naar de functiebeschrijving voor Studio Manager, overgelegd als prod. 5 bij inleidende dagvaarding, waarin bij herhaling wordt gerefereerd aan werkzaamheden met betrekking tot het reilen een zeilen van een fysieke radiostudio.
fysieke radiostudio(voor uitzendingen) werd verweten – begrijpelijk gelet op de zo-even geschetste door [eiser] gehanteerde terminologie in de stukken. Dat FPU dit zo heeft opgevat, haal ik uit de volgende vijf passages uit de processtukken:
“ [eiser] concludeert en staaft met krantenberichten dat FPU/Radio Dabanga een studio in Khartoem zou hebben. Zeer ten onrechte. […] In het ook als productie 6 overgelegde artikel van Radio Nederland Wereldomroep van 29 augustus 2011 […] staat met juistheid: ‘Dabanga heeft geen radiostation in Sudan”;
“ [eiser] suggereert (vervolgens) in de randnummers 22 en 23 van zijn conclusie van repliek dat FPU in Khartoem een studio zou hebben ingericht waarin een radiostation gevestigd was. FPU ontkent dat pertinent. De bewijslast van die stelling rust op [eiser] ”;
“De bewering van [eiser] dat FPU een (radio)studio in Khartoem zou hebben (gehad) is volstrekt onjuist. [eiser] staaft die bewering met een verwijzing naar pagina 7 van de jaarrekening2011,[...]. Om te beginnen, uit die productie is volstrekt duidelijk dat in2010door FPU “0” werd uitgegeven aan de post Sudan office. Dat er in 2011 – maar dat raakt deze procedure niet – wel kosten werden gemaakt voor de Sudan office [...] zietnietop een kantoor in Khartoum, maar op het kantoor in Juba”;
“Hoe dan ook, Radio Dabanga had geen radio station in Khartoem, Soedan”, en MvA, nr. 2 :
“Met zijn grief I bepleit [eiser] dat FPU in het pand in Khartoem een radiostudio had ingericht […] FPU ontkent dat zij in Khartoum een radiostudio had [...] Uit de opsomming van inbeslaggenomen zaken die volgt blijkt echter niet dat er ook maar enige inventaris is aangetroffen verband houdend met een radiostudio. Geen microfoons, geen opname-apparatuur laat staan zendapparatuur. In randnummer 16 van de memorie van grieven herhaalt [eiser] zijn stelling dat er een “fysieke” studio was ingericht in Khartoum. Dat is onjuist, en blijkt ook uit niets [...]”.
“ruimte”in het Kartoemse HAND-kantoor heeft bedoeld te stellen en dit zo had moeten worden begrepen, dan geldt dat hij niet voldoende concreet heeft aangegeven wat die ruimte dan inhield. Het hof signaleert dat ook in de aanvang van de derde volzin van rov. 3.6 (in cassatie naar mij voorkomt niet bestreden):
“Afgezien van het feit dat [eiser] heeft nagelaten concreet te stellen wat die door hem bedoelde studio behelsde [...]”.Dat wijst op een mededragende pijler in de redenering van het hof die in cassatie zo te zien niet wordt bestreden. Had FPU daar computers en documenten opgeslagen? Stond er alleen kantoormeubilair? Was FPU’s aanwezigheid in Karthoem al voldoende om de aandacht van de inlichtingendiensten te trekken en zo ja, waar blijkt dat dan uit? Had FPU bepaalde informatie en/of bescheiden in het HAND-kantoor opgeslagen waaruit de Soedanese inlichtingendiensten [eiser] betrokkenheid bij Radio Dabanga konden opmaken? [eiser] zwijgt er over en is dus niet alleen zelf ambivalent geweest in de aanduiding van FPU’s aanwezigheid in Karthoem [5] , hij heeft bovendien in het midden gelaten hoe FPU in verband moet worden gebracht met de inval/daarbij zou zijn ontmaskerd en hoe [eiser] daardoor genoodzaakt zou zijn geweest Soedan te verlaten. Dit is ook aangevoerd door FPU (CvA, nr. 25; CvD, nr. 15; MvA nr. 2).
subonderdeel II.1.6).
subonderdeel II.2heeft het hof in de laatste volzin van rov. 3.6 (ook als bedoeld is de omkeringsregel toe te passen) een aantal in
subonderdelen II.1.3, II.1.4en samengevat in
II.1.6aangegeven essentiële stellingen van [eiser] gepasseerd.
TFS/NSen
[…]/[…] [8] en wel langs drie lijnen: 1) het is op grond van een bijzondere, uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende, regel dat een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv Pro, waarbij het conditio sine qua non causaal verband tussen onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij de aangesprokene middels tegenbewijs aannemelijk maakt dat de schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan, waarbij 2) voor het maken van die uitzondering alleen plaats is als het gaat om schending van een norm die ertoe strekt een
specifiek gevaarter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en als dat gevaar door de normschending in het algemeen aanmerkelijk wordt vergroot
.In dat geval is het immers 3) gelet op de bescherming die een dergelijke norm beoogt te bieden, redelijk, behoudens tegenbewijs, ervan uit te gaan dat, als het specifieke gevaar waartegen de norm beoogt te beschermen, zich heeft verwezenlijkt, dat een gevolg moet zijn geweest van deze normschending. Overigens is in het arrest
beroepsfout gynaecoloog [9] nadien uitgemaakt dat de voorwaarde dat het specifieke gevaar aanmerkelijk moet zijn vergroot, geen geldend recht is, zodat dit buiten beschouwing kan blijven. Het praktisch belang van de omkeringsregel is volgens Hartkamp & Sieburgh [10] en Asser [11] door deze uitleg gering geworden.
Seresta-arrest [14] rijst dan de vraag of deze norm voldoende scherp is voor toepassing van de omkeringsregel, hetgeen voor echte veiligheidsnormen of zorgplichten (bescherming tegen ongevallen of beroepsziekten) meestal wel wordt aangenomen [15] . De beweerdelijk geschonden norm “handelen als goed ngo” heeft hier volgens [eiser] de gedaante van het door FPU inrichten van een ruimte voor Radio Dabanga die kon wijzen op activiteit van die in Soedan clandestien geachte zender, welke norm zou strekken ter voorkoming van het gevaar van het ontstaan van schade bij [eiser] en zijn collega’s [16] . Bij niet naleving van deze aldus gestelde (veiligheids)norm moet de normschending betrekking hebben op regels die naar hun aard strekken tot bescherming tegen gevaar van vervolging of erger door een autoritair regime. Enkele aanmerkelijke verhoging van de kans van dit gevaar, is onvoldoende voor toepassing van de omkeringsregel, zo volgt uit het besproken
Seresta-arrest. Het is zeer de vraag of deze norm voldoende scherp is te achten. Ik neig daarom naar een ontkennend antwoord en daar zou de rechtsklacht van onderdeel II dan al op stranden. Het is evenwel niet ondenkbaar dat hier gelet op de specifieke context van het conflict in Darfour waarover Radio Dabanga berichtte op in de ogen van het regime illegale wijze, geoordeeld moet worden dat sprake is van een uit deze algemene norm af te leiden concretere norm die voldoende scherp is in dit geval.