Conclusie
‘poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, door middel van braak’tot een gevangenisstraf van vier weken met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
eerste middelklaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het bij appelschriftuur gedane verzoek en ter terechtzitting herhaalde verzoek om de getuige [betrokkene 1] “
te horen”.
Mijn kantoorgenoot heeft bij appelschriftuur van 23 januari 2015 verzocht [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen. Het hof heeft niet in dat verzoek bewilligd, maar wel kenbaar gemaakt dat het verzoek ter zitting herhaald kan worden. Ik handhaaf dat verzoek en verzoek u derhalve de hiervoor genoemde personen alsnog als getuigen te horen. Voor de onderbouwing verwijs ik naar de motivering in de appelschriftuur. De gang van zaken rondom het afleggen van de verklaringen door de getuigen is vreemd. Zo lijkt het er op dat [betrokkene 2] door de politie van informatie is voorzien. [betrokkene 2] verklaard: “De signalementen, zoals u mij zegt die [betrokkene 1] vertelde, kloppen.” Als dat inderdaad het geval is geweest dan luidt de vraag of die verklaring wel voor het bewijs kan worden gebezigd?”
“motivering:
Het hof is met de raadsman van oordeel dat bij de wijze van totstandkoming van de verklaring van [betrokkene 2] vraagtekens kunnen worden geplaatst. Het hof zal de verklaring van [betrokkene 2] dan ook niet bezigen voor het bewijs. Het hof wijst het verzoek ook overigens af, zijnde de verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad.”
“het hof wijst het verzoek ookoverigensaf”, terwijl het hof daarbij de juiste maatstaf heeft gehanteerd, te weten dat
“de verdachte daardoor niet in zijn verdediging (is) geschaad”. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, mede gezien de gebrekkige onderbouwing van het verzoek, toereikend gemotiveerd.
tweede middelklaagt dat het hof de bewezenverklaring in strijd met art. 342 lid 2 Sv Pro (unus testis nullus testis) uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van de getuige [betrokkene 1] , althans dat ’s hofs oordeel dat aan de bewijsminimumregel is voldaan onbegrijpelijk is.
hij op 18 oktober 2014 te Zeist ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening weg te nemen een auto en/of een hoeveelheid geld of goederen toebehorende aan [A] , en zich daarbij de toegang tot voornoemde auto te verschaffen en die weg te nemen auto en hoeveelheid geld en goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededader een slot van voornoemde auto heeft geforceerd en kappen in voornoemde auto heeft afgebroken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
Door het hof gebezigde bewijsmiddelen